(Tekst geldend op: 19-12-2007)
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
| 1. | In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen met betrekking tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit; afvalbeheersplan: het afvalbeheersplan, bedoeld in artikel 10.3; afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in artikel 10.23; afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen; bedrijfsafvalwater: afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater; beheer van afvalstoffen: inzameling, vervoer, nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen; beste beschikbare technieken: voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld; betrokken bestuursorganen: adviseurs en andere bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift worden betrokken bij de totstandkoming van de in artikel 13.1, eerste lid, bedoelde beschikkingen. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit; bijlage: bij deze wet behorende bijlage; biochemisch zuurstofverbruik: massaconcentratie aan opgeloste zuurstof die gedurende vijf dagen wordt verbruikt door biochemische oxydatie van organische bestanddelen onder uitsluiting van ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn gespecificeerd in een door Onze Minister aangewezen norm van het Nederlands Normalisatie Instituut; broeikasgas: gas, genoemd in bijlage II bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten; broeikasgasemissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde periode een emissie van één ton kooldioxide-equivalent in de lucht te veroorzaken; Commissie genetische modificatie: de Commissie genetische modificatie, bedoeld in artikel 2.26; Commissie voor de milieu-effectrapportage: de Commissie voor de milieu-effectrapportage, bedoeld in artikel 2.17; doelmatig beheer van afvalstoffen: zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheersplan, dan wel de voor de vaststelling van het plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid; EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling: richtlijn nr. 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEG L 175), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/11/EG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 3 maart 1997 (PbEG L 73) tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten; één ton kooldioxide-equivalent: een metrische ton kooldioxide of een hoeveelheid van een ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen; de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten: richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU L 275); EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging: richtlijn (EG) nr. 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld; EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190); de EG-verordening registratie van handel in broeikasgasemissierechten: verordening inzake een gestandaardiseerd en beveiligd stelsel van registers als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, nadat deze verordening door de Commissie van de Europese Gemeenschappen is vastgesteld en in werking is getreden; emissie: stoffen, trillingen, warmte, die of geluid dat direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden, onderscheidenlijk wordt gebracht; de emissieautoriteit: de Nederlandse emissieautoriteit, genoemd in artikel 2.1; emissiegrenswaarde: massa gerelateerd aan bepaalde parameters, dan wel concentratie of niveau van een emissie uit een of meer bronnen, die gedurende een bepaalde periode niet mag worden overschreden; emissiereductie-eenheid: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (ERU); gecertificeerde emissiereductie: eenheid, uitgegeven overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de overeenkomstig het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering of het Protocol van Kyoto genomen besluiten (CER); gemeentelijk milieubeleidsplan: het gemeentelijke milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.16; gevaarlijke afvalstoffen: bij ministeriële regeling als zodanig aangewezen afvalstoffen, met inachtneming van ter zake voor Nederland verbindende verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties; gpbv-installatie: installatie als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging;. huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen; huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig uit particuliere huishoudens; inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht; inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaar; inwonerequivalent: biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per etmaal; de kaderrichtlijn water: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), zoals deze is gewijzigd bij beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid en tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG (PbEG L 331) en met inbegrip van wijzigingen uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de richtlijn, doch voor het overige naar de tekst zoals deze bij de richtlijn is vastgesteld. nationaal milieubeleidsplan: het nationale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.3; NOx-emissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde periode een emissie van één kilogram stikstofoxiden in de lucht te veroorzaken; nuttige toepassing: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II B bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen; Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; preparaten: preparaten in de zin van de Wet milieugevaarlijke stoffen; Protocol van Kyoto: op 11 december 1997 te Kyoto totstandgekomen Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998, 170, en 1999, 110); provinciaal milieubeleidsplan: het provinciale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 4.9; provinciale milieucommissie: de provinciale milieucommissie, bedoeld in artikel 2.41; provinciale milieuverordening: de verordening, bedoeld in artikel 1.2; Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering: op 9 mei 1992 te New York totstandgekomen Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1992, 189); stikstofoxiden (NOx): stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide; stoffen: stoffen in de zin van de Wet milieugevaarlijke stoffen; storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten; verwijdering: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II A bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen; waterkwaliteitsbeheerder: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; |
| 2. | In deze wet en de daarop berustende bepalingen:
|
| 3. | Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. |
| 4. | Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan. |
| 5. | In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder het zich ontdoen van afvalstoffen mede verstaan:
|
| 6. | Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten of andere producten in ieder geval worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. |
| 7. | Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van het bevorderen van nuttige toepassing worden bepaald dat geen sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen, indien bij die maatregel aangewezen stoffen, preparaten of andere producten:
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing van stoffen, preparaten of andere produkten, de wijze van toepassing en de eisen, bedoeld in dit lid. |
| 8. | Een afvalstof wordt in ieder geval aangemerkt als huishoudelijke afvalstof onderscheidenlijk bedrijfsafvalstof, indien die afvalstof bij algemene maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen. |
| 9. | Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, een regeling vaststellen van de in het zevende of achtste lid bedoelde strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. Onze Minister kan de termijn bij ministeriële regeling eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. |
| 10. | Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de aanwijzing van gevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid. Tevens kan Onze Minister of een door hem aan te wijzen instantie vaststellen dat een afvalstof, zoals die door de houder ter beoordeling wordt aangeboden:
|
| 11. | Een wijziging van de bijlagen bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen gaat voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven omschrijvingen van «afvalstoffen», « beheer van afvalstoffen», «nuttige toepassing» en «verwijdering» gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. |
| 12. | Een wijziging van bijlage III bij richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen gaat voor de toepassing van het tiende lid gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. |
| 14. | Een wijziging uit hoofde van artikel 20, eerste lid, van de kaderrichtlijn water gaat voor de toepassing van deze wet gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant of op andere geschikte wijze wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. |
| 1. | Provinciale staten stellen ter bescherming van het milieu een verordening vast. |
| 2. | De verordening bevat ten minste:
|
| 3. | Bij de verordening worden, voor zover dit naar het oordeel van provinciale staten van meer dan gemeentelijk belang is, verdere regels gesteld ter bescherming van het milieu. |
| 4. | Bij de verordening kan worden bepaald dat bij de verordening gestelde regels slechts gelden voor een of meer daarbij aan te wijzen delen van het grondgebied van de provincie. |
| 5. | De verordening bevat geen regels met betrekking tot de samenstelling of eigenschappen van produkten. Ten aanzien van gebieden die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn aangewezen, houdt de verordening geen regels in, die betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering. |
| 6. | De verordening kan slechts, voor zover dit uit een oogpunt van doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is, regels bevatten die rechtstreeks betrekking hebben op bij die regels aangewezen categorieën van inrichtingen, voor zover:
|
| 7. | Bij de verordening kan, voor zover het gevallen betreft als bedoeld in het zesde lid, worden bepaald dat het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens hoofdstuk 8 te verlenen, bij het verlenen of wijzigen van de vergunning met betrekking tot de daarbij aangegeven onderwerpen in de beperkingen waaronder de vergunning wordt verleend of in de daaraan verbonden voorschriften van bij de verordening gestelde regels kan afwijken. In dat geval wordt bij de verordening aangegeven in hoeverre het bevoegd gezag van de regels kan afwijken. Bij de verordening kan tevens worden bepaald dat de bevoegdheid tot afwijken slechts geldt in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. |
| 8. | Bij de vaststelling van de verordening houden provinciale staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan. |
Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld, die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten.
Onverminderd de artikelen 16.8 en 18.3 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en de betrokken andere bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens de hoofdstukken 8, 16 of 18 van deze wet of artikel 40 van de Mijnbouwwet.
De emissieautoriteit draagt op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende voorschriften zorg voor de nodige technische en organisatorische voorzieningen ter beveiliging van haar gegevens tegen verlies of aantasting en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging en verstrekking van die gegevens.
| 1. | Er is een Commissie voor de milieu-effectrapportage. |
| 2. | De commissie heeft tot taak:
|
De commissie brengt elk jaar aan Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een verslag uit van haar werkzaamheden. Onze Ministers maken het verslag openbaar.
| 1. | De commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van de beschrijving, de bescherming en de verontreiniging en aantasting van het milieu en op het gebied van de overeenkomstig de artikelen 7.2 en 7.6 aangewezen activiteiten. |
| 2. | De voorzitter, een of meer plaatsvervangende voorzitters en de overige leden van de commissie worden door Ons, op gezamenlijke voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, benoemd en ontslagen. De voordracht tot benoeming van de voorzitter geschiedt in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad. |
| 3. | De leden worden, met uitzondering van de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters, benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij zijn terstond wederbenoembaar. |
| 4. | De leden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. |
De rechtspositie van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de overige leden wordt voor zover nodig nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
De commissie heeft een secretaris, die door Ons wordt benoemd en ontslagen, op gezamenlijke voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de commissie gehoord. De commissie heeft een bureau, dat onder leiding staat van de secretaris.
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en zendt deze aan Onze Minister.
Er is een Commissie genetische modificatie.
Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het beleid op het terrein van het vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen.
Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.
| 1. | De commissie en haar subcommissies kunnen zich bij hun werkzaamheden doen bijstaan door personen die geen lid zijn van de commissie. |
| 2. | Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kunnen, ieder voor hun ministerie, ambtenaren aanwijzen, die bevoegd zijn tot het bijwonen van de door de commissie en haar subcommissies te houden vergaderingen, met dien verstande dat in de vergaderingen van de commissie voor ieder van die ministeries ten hoogste één ambtenaar aanwezig is. |
De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder b en c .
De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de werkwijze van haar subcommissies en zendt deze aan Onze Minister.
[Gereserveerd.]
In dit hoofdstuk wordt onder Onze Ministers verstaan: Onze Minister, te zamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft, die tot hun verantwoordelijkheid behoren.
| 1. | Indien ter uitvoering van een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie een plan of programma moet worden vastgesteld waarvoor geen grondslag in de wet is opgenomen en ten aanzien waarvan ingevolge artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156) in inspraak van het publiek moet worden voorzien, is op de voorbereiding van dat plan of programma afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een herziening van een plan of programma. |
| 2. | Zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. |
| 3. | Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn of van een bijlage bij die richtlijn gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. |
| 1. | Voorzover op de voorbereiding van een in deze wet voorzien plan of programma dat wordt genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 156), de procedure van toepassing is die is voorgeschreven in hoofdstuk 7 of in de Wet op de waterhuishouding, geldt uitsluitend die procedure en blijven de bepalingen die terzake in andere hoofdstukken, onderscheidenlijk in deze wet, zijn opgenomen, voorzover nodig buiten toepassing. |
| 2. | Een wijziging van bijlage I bij de in het eerste lid genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. |
| 1. | Het RIVM brengt eenmaal in de vier jaar aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven over een door Onze Minister aan te geven periode van ten minste de eerstvolgende tien jaar. In ieder geval wordt die ontwikkeling beschreven, uitgaande van de voor die periode meest waarschijnlijke ontwikkeling van de omstandigheden die daarvoor van belang zijn. Tevens worden in het rapport beschrijvingen opgenomen, die telkens uitgaan van andere ontwikkelingen van die omstandigheden, die zich, naar redelijkerwijs kan worden verondersteld, in de betrokken periode zouden kunnen voordoen. Het rapport wordt uitgebracht ten minste 6 maanden en ten hoogste 12 maanden voordat Onze Ministers het eerstvolgende nationale milieubeleidsplan vaststellen. Om aan deze verplichting te kunnen voldoen in gevallen waarin de geldingsduur van een nationaal milieubeleidsplan met toepassing van artikel 4.6, tweede lid, wordt verlengd, kan worden afgeweken van de in de eerste volzin gestelde termijn van vier jaar. |
| 2. | Het RIVM brengt jaarlijks aan Onze Minister een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu wordt beschreven, die het resultaat is van de uitvoering van de beleidsmaatregelen die van invloed zijn op die kwaliteit en die in het jaar waarop het rapport betrekking heeft, van kracht waren. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven in hoeverre die maatregelen hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van de resultaten, waarvan in het geldende nationale milieubeleidsplan is aangegeven dat zij voor het betrokken jaar zijn beoogd. Tevens wordt aangegeven hoe de beschreven ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu zich verhoudt tot de ontwikkeling daarvan die is beschreven in de overeenkomstige eerder uitgebrachte rapporten. Indien zich onvoorzien een omstandigheid voordoet die belangrijke gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu op langere termijn, en Onze Minister daarom verzoekt, neemt het RIVM in een rapport tevens een beschrijving op van die ontwikkeling die daarvan het resultaat kan zijn. |
| 3. | Onze Minister wijst, te zamen met - ieder voor zover het hem aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, overheidsinstellingen aan, die door het RIVM in ieder geval worden betrokken bij het opstellen van de rapporten. Een overheidsinstelling komt voor aanwijzing slechts in aanmerking indien zij in staat is naar organisatie, personeel en uitrusting de voor het opstellen van de rapporten nodige werkzaamheden op passend wetenschappelijk niveau te verrichten. |
| 4. | Onze Minister kan, te zamen met - ieder voor zover het hem aangaat - Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de krachtens het derde lid aangewezen overheidsinstellingen bij het opstellen van de rapporten worden betrokken. |
| 1. | Onze Minister kan aanwijzingen geven omtrent veronderstelde ontwikkelingen die in ieder geval als grondslag voor beschrijvingen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, moeten worden aangenomen. Hij kan tevens aanwijzingen geven omtrent onderwerpen die in ieder geval in een rapport, als bedoeld in dat artikellid, moeten worden beschreven. |
| 2. | Behoudens het in het artikel 4.2, tweede lid, vierde volzin, en in het eerste lid van dit artikel bepaalde, geven Onze betrokken Ministers het RIVM en de krachtens artikel 4.2, derde lid, aangewezen instellingen geen aanwijzingen met betrekking tot de inhoud van de rapporten. |
| 3. | Onze Minister zendt de rapporten aan de Staten-Generaal; een rapport als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, voor of gelijktijdig met het eerstvolgende nationale milieubeleidsplan; een rapport als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, voor of gelijktijdig met het eerstvolgende nationale milieuprogramma. Het RIVM draagt ervoor zorg dat de rapporten algemeen verkrijgbaar worden gesteld. |
Ten behoeve van het opstellen van milieubeleidsplannen en van milieuprogramma’s verschaffen de onderscheidene overheidsorganen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens, waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
| 1. | Onze Ministers stellen ten minste eenmaal in de vier jaar een nationaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan van rijkswege in de eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen, en dat naar verwachting tevens richting zal kunnen geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen. |
| 2. | Het plan bevat de hoofdzaken van het door de regering te voeren milieubeleid, dat in het bijzonder is gericht op een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien, en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van het milieu als redelijkerwijze te bereiken is. De mogelijke ontwikkelingen in de samenleving en de gewenste kwaliteit van het milieu op lange termijn, alsmede de daarvoor van belang zijnde internationale ontwikkelingen, worden in het plan in beschouwing genomen. |
| 3. | Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
|
| 4. | In het plan geven Onze Ministers voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het nationale waterhuishoudingsbeleid en het nationale natuurbeleid, en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn de nota voor de waterhuishouding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding, respectievelijk het Natuurbeleidsplan, bedoeld in artikel 4 van de Natuurbeschermingswet 1998 te herzien. Met het geldende nationale milieubeleidsplan wordt tevens rekening gehouden bij de vaststelling van beleid op andere beleidsterreinen, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu wordt geraakt. |
| 1. | Het nationale milieubeleidsplan geldt met ingang van een bij besluit van Onze Ministers vast te stellen tijdstip. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin, wordt niet eerder genomen dan acht weken nadat het plan ingevolge artikel 4.5, eerste lid, is overgelegd aan de Staten-Generaal. Indien door of namens een der kamers der Staten-Generaal binnen acht weken nadat het plan is overgelegd, te kennen wordt gegeven dat zij over het plan in het openbaar wil beraadslagen, wordt een besluit als bedoeld in de eerste volzin, niet eerder genomen dan zes maanden na de overlegging van het plan, dan wel, indien de beraadslagingen op een eerder tijdstip zijn beëindigd, na die beraadslagingen. Onze Ministers stellen de Staten-Generaal schriftelijk op de hoogte van de gevolgtrekkingen die zij aan de beraadslagingen verbinden voor het nationale milieubeleid en voor de uitvoering van het plan. Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in de eerste volzin, bekend in de Staatscourant en vermeldt daarbij de gevolgtrekkingen die aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld. |
| 2. | Het plan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar. Onze Ministers kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Onze Minister doet mededeling van een besluit als bedoeld in de tweede volzin, door overlegging van het besluit aan de Staten-Generaal en maakt het bekend in de Staatscourant. |
| 3. | De organen van het Rijk houden in elk geval rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen. |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:
|
| 5. | Voor de toepassing van het derde lid worden gevolgtrekkingen die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid aan de Staten-Generaal zijn meegedeeld, aangemerkt als onderdeel van het plan. |
| 1. | Provinciale staten stellen ten minste eenmaal in de vier jaar een provinciaal milieubeleidsplan vast, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan in de eerstvolgende vier jaar te nemen beslissingen van provinciale staten en gedeputeerde staten en van bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en dat naar verwachting tevens richting zal kunnen geven aan in de daarop volgende vier jaar te nemen beslissingen. |
| 2. | Het plan bevat de hoofdzaken van het door provinciale staten en gedeputeerde staten te voeren milieubeleid. |
| 3. | Tot deze hoofdzaken behoren ten minste:
|
| 4. | Tot de gebieden, bedoeld in het derde lid, onder c, behoren ten minste:
behoudens voor zover bij die aanwijzing anders is bepaald. |
| 5. | In het plan geven provinciale staten voorts aan in hoeverre het voorgenomen beleid is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het provinciale waterhuishoudingsbeleid, het provinciale ruimtelijk beleid of het provinciale verkeers- en vervoerbeleid en in hoeverre en binnen welke termijn zij voornemens zijn het geldende provinciale plan voor de waterhuishouding, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet op de waterhuishouding‘ een of meer geldende streekplannen als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of het geldende provinciale verkeers- en vervoerplan als bedoeld in artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, te herzien. |
| 1. | Het provinciale milieubeleidsplan geldt, behoudens ingeval eerder een nieuw plan is vastgesteld, voor een tijdvak van vier jaar nadat de vaststelling ervan overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, is bekendgemaakt. |
| 2. | Provinciale staten kunnen de geldingsduur van het plan eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Gedeputeerde staten doen mededeling van een besluit als bedoeld in de eerste volzin, door toezending daarvan aan Onze Minister en aan de bestuursorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn gedelegeerd bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden. Zij maken het bekend in de Staatscourant. |
| 3. | Provinciale staten en gedeputeerde staten houden in elk geval rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen. |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op besluiten:
|
| 5. | Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten:
|
| 1. | Gedeputeerde staten stellen jaarlijks een provinciaal milieuprogramma vast. |
| 2. | Het programma bevat ten minste:
|
| 3. | Bij de vaststelling van het programma houden gedeputeerde staten rekening met het geldende provinciale milieubeleidsplan. |
| 1. | Het algemeen bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, kan een regionaal milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan beslissingen tot het nemen waarvan de bevoegdheid bij of krachtens de wet aan een orgaan van dat lichaam is toegekend. |
| 2. | De artikelen 4.13, 4.16, tweede lid, 4.17, 4.18 en 4.19 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat naast de in artikel 4.17, tweede lid, genoemde bestuursorganen ook burgemeester en wethouders van de in de plusregio gelegen gemeenten bij de voorbereiding van het plan worden betrokken. |
| 1. | Het dagelijks bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat, stelt jaarlijks een milieuprogramma vast. |
| 2. | De artikelen 4.20, tweede en derde lid, en 4.21 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het programma naast de in artikel 4.20, tweede lid, genoemde onderdelen ook een verslag van de voortgang van de uitvoering van het geldende regionale milieubeleidsplan bevat. |
| 1. | De gemeenteraad kan een gemeentelijk milieubeleidsplan vaststellen, dat met het oog op de bescherming van het milieu richting geeft aan door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te nemen beslissingen. |
| 2. | Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders te voeren milieubeleid. |
| 1. | Bij de vaststelling van het gemeentelijke milieubeleidsplan bepaalt de gemeenteraad het tijdvak gedurende hetwelk het geldt. |
| 2. | De gemeenteraad kan de geldingsduur eenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen. Artikel 4.18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 3. | Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad onderscheidenlijk houden burgemeester en wethouders in elk geval rekening met dat plan bij het nemen van een besluit dat daartoe is aangewezen in deze wet, en bij het nemen van een besluit krachtens een wet, genoemd in bijlage 1, voor zover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen. |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op besluiten krachtens een bevoegdheid van een ander openbaar lichaam, die aan de gemeenteraad of burgemeester en wethouders is gedelegeerd. |
| 5. | Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten die door een orgaan van een ander openbaar lichaam worden genomen in de plaats van de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders, wegens het in gebreke blijven van de gemeenteraad onderscheidenlijk burgemeester en wethouders. |
| 1. | De gemeenteraad stelt jaarlijks voor een daarbij vast te stellen periode een gemeentelijk milieuprogramma vast. |
| 2. | Het programma bevat ten minste:
|
| 3. | Indien in de gemeente een gemeentelijk milieubeleidsplan geldt, houdt de gemeenteraad met dat plan rekening bij de vaststelling van een gemeentelijk milieuprogramma. |
| 1. | In het belang van de bescherming van het milieu kunnen, voor zover dit van meer dan provinciaal belang is, bij algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld ten aanzien van de kwaliteit van onderdelen van het milieu vanaf een daarbij te bepalen tijdstip. |
| 2. | Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval betrokken:
voor zover deze voor de vaststelling van de milieukwaliteitseis van belang zijn. In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn betrokken. |
| 3. | Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt ten aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseisen bepaald of zij worden aangemerkt als grenswaarde of als richtwaarde. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan die op het in de maatregel aangegeven tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste moet worden instandgehouden. Een richtwaarde geeft de kwaliteit aan die op het in de maatregel aangegeven tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk moet worden instandgehouden. |
| 4. | Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald dat een daarbij gestelde milieukwaliteitseis slechts geldt voor een of meer bij of krachtens de maatregel aan te wijzen gebieden, dan wel voor gebieden die behoren tot een bij de maatregel aangegeven categorie. Een tijdstip als bedoeld in het eerste lid kan voor verschillende bij of krachtens de maatregel aan te geven gebieden of categorieën van gebieden verschillend zijn. |
| 5. | Bij een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van de daarbij gestelde milieukwaliteitseisen een termijn bepaald, voor het verstrijken waarvan Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dienen aan te geven in hoeverre de desbetreffende milieukwaliteitseis naar hun oordeel herziening behoeft. Indien een gestelde milieukwaliteitseis niet een zodanige waarde heeft dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat, indien aan die eis is voldaan, de risico’s voor het milieu als gevolg van de bij het stellen van de eis in aanmerking genomen milieubelastende factoren verwaarloosbaar klein zijn, bedraagt de termijn, bedoeld in de vorige volzin, ten hoogste acht jaar. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van milieukwaliteitseisen regels worden gesteld met betrekking tot:
|
| 2. | Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat de wijze van meten of berekenen en de frequentie daarvan bij ministeriële regeling worden vastgesteld. |
| 3. | Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het opstellen van programma’s voor de monitoring van oppervlaktewateren en grondwatervoorkomens als bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn water, waarbij voor gebieden, bedoeld in bijlage IV van die richtlijn, aanvullende verplichtingen kunnen worden gesteld welke dienen ter uitvoering van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. Bij de maatregel kan ten aanzien van de milieudoelstellingen, bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn water, overeenkomstige toepassing worden gegeven aan het eerste en tweede lid. |
Indien ter uitvoering van deze titel een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, wordt vastgesteld, zijn daarop de artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 van overeenkomstige toepassing.
| 1. | In afwijking van titel 5.1 gelden ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen. |
| 2. | Deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. |
In deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen met betrekking tot de kwaliteit van de buitenlucht wordt verstaan onder:
acht-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
agglomeratie: stedelijk gebied met ten minste 250 000 inwoners;
alarmdrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het waarschuwen van de bevolking noodzakelijk is teneinde de risico’s voor de gezondheid van de mens ingeval van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
AOT40-waarde: gesommeerd verschil tussen de uurgemiddelde concentraties van ozon boven 80 microgram per m3 en 80 microgram per m3 tussen 08.00 uur en 20.00 uur Midden-Europese-Tijd, over een bepaalde periode, uitgedrukt in (microgram per m3) • uur;
autosnelweg: autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit: richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296);
grenswaarde: kwaliteitsniveau dat moet zijn bereikt en vervolgens moet worden instandgehouden;
informatiedrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan het informeren van de bevolking noodzakelijk is, teneinde de risico’s voor de gezondheid van bijzonder gevoelige bevolkingsgroepen ingeval van een kortstondige overschrijding van dat kwaliteitsniveau te beperken;
jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties in een kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10);
kwaliteitsniveau: concentratie in de buitenlucht of de depositiesnelheid van een verontreinigende stof;
luchtverontreiniging: aanwezigheid in de buitenlucht van verontreinigende stoffen;
plandrempel: kwaliteitsniveau bij het bereiken waarvan een planmatige aanpak van de luchtverontreiniging noodzakelijk is;
richtwaarde: kwaliteitsniveau dat zoveel mogelijk moet zijn bereikt en dat, waar aanwezig, zoveel mogelijk moet worden instandgehouden;
stikstofoxiden: het totale aantal volumedelen stikstofmonoxide en stikstofdioxide per miljard volumedelen, uitgedrukt in microgrammen stikstofdioxide per m3;
uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal;
verontreinigende stoffen: vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, niet zijnde splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in de Kernenergiewet, die op zichzelf dan wel tezamen of in verbinding met andere stoffen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken;
vierentwintig-uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese-Tijd, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide en bij heersende temperatuur en druk voor zwevende deeltjes (PM10);
winterhalfjaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over vierentwintig-uurgemiddelde concentraties van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 293 Kelvin en een druk van 101,3 kilo Pascal;
zone: gedeelte van het Nederlandse grondgebied;
zwevende deeltjes (PM10): in de buitenlucht voorkomende stofdeeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van 50 procent bij een aërodynamische diameter van 10 micrometer.
| 1. | Burgemeester en wethouders stellen in de in bijlage 2 aangegeven gevallen waarin een plandrempel wordt overschreden een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze en door middel van welke maatregelen voldaan zal worden aan de desbetreffende in de bijlage genoemde grenswaarde, binnen de voor die waarde gestelde termijn. Zij dragen zorg voor de uitvoering van het plan. |
| 2. | Op de voorbereiding van een plan als bedoeld in het eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. |
| 3. | Gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat en andere bestuursorganen die maatregelen kunnen treffen leveren op verzoek van burgemeester en wethouders een bijdrage aan het opstellen en uitvoeren van een plan als bedoeld in het eerste lid. Daarbij geven de desbetreffende bestuursorganen in het plan gemotiveerd rekenschap van het al dan niet treffen van maatregelen. Omtrent het opstellen en uitvoeren van het plan bevorderen burgemeester en wethouders overleg met die bestuursorganen. |
| 4. | Voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarin de overschrijding van de desbetreffende plandrempel, met inachtneming van de krachtens artikel 5.20 gestelde regels, is vastgesteld en gerapporteerd, stellen burgemeester en wethouders gedeputeerde staten in kennis van een vastgesteld plan als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van alle door hen ontvangen plannen. |
| 5. | Burgemeester en wethouders rapporteren eenmaal in de drie jaar, voor 1 mei van het op die periode volgende jaar, aan gedeputeerde staten omtrent de voortgang van de uitvoering van een plan of plannen als bedoeld in het eerste lid. Voor 1 juli van dat jaar stellen gedeputeerde staten Onze Minister in kennis van alle door hen ontvangen voortgangsrapportages. |
| 6. | Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat het plan, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming is met een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid. |
| 1. | Onze Minister stelt in de in bijlage 2 aangegeven gevallen een plan vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze, met inzet van proportionele maatregelen, zoveel mogelijk voldaan zal worden aan een in die bijlage genoemde richtwaarde, binnen de voor die waarde gestelde termijn. Onze Minister draagt zorg voor de uitvoering van het plan. |
| 2. | Op de voorbereiding van een plan als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. |
| 3. | Een plan als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld voor 1 december van het tweede jaar volgend op de periode waarover de overschrijding van de richtwaarde met inachtneming van de krachtens artikel 5.20 gestelde regels is vastgesteld en gerapporteerd. |
| 1. | Een plan als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, of 5.10, eerste lid, bevat ten minste de gegevens, bedoeld in bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit. |
| 2. | Een wijziging van bijlage IV van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit geldt voor de toepassing van het eerste lid met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven en heeft geen betrekking op een vóór die dag vastgesteld plan, tenzij uit de desbetreffende wijziging anders volgt. |
| 3. | Voor gevallen waarin ingevolge artikel 5.9, eerste lid, of 5.10, eerste lid, voor meer dan één stof een plan wordt vastgesteld en uitgevoerd, draagt het betrokken bestuursorgaan zorg voor één plan voor de desbetreffende stoffen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Onze Minister stelt, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met betrekking tot een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat gericht is op het bereiken van die grenswaarde. Het programma heeft betrekking op een daarbij aan te geven periode van vijf jaar. |
| 2. | In het programma, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste genoemd of beschreven de gedurende de in dat lid bedoelde periode door een of meer bestuursorganen van het Rijk te treffen generieke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit en de effecten daarvan op de luchtkwaliteit. |
| 3. | Bij ministeriële regeling worden één of meer gebieden aangewezen met betrekking waartoe, na overleg met de betrokken bestuursorganen, het in het eerste lid bedoelde programma tevens omvat:
|
| 4. | Bij het beschrijven van:
|
| 5. | Bij de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de coördinatie van de uitvoering van het derde en zesde lid. |
| 6. | Het programma, bedoeld in het eerste lid, kan in delen worden vastgesteld, met dien verstande dat:
|
| 7. | Na een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister verstrekken de desbetreffende bestuursorganen hem binnen een daarbij aangegeven termijn de daarbij gevraagde gegevens over de ontwikkelingen en besluiten, bedoeld in het derde lid, onder c, en de maatregelen, bedoeld in dat lid, onder b en d. |
| 8. | Op de voorbereiding van een programma als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. |
| 9. | De daartoe bevoegde bestuursorganen dragen zorg voor de tijdige uitvoering van de maatregelen die in het programma zijn genoemd of beschreven, met dien verstande dat maatregelen die onlosmakelijk verbonden zijn met de ontwikkelingen en besluiten als bedoeld in het derde lid, onder c, ten behoeve van deze ontwikkelingen en besluiten worden uitgevoerd. |
| 10. | Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, het programma, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen indien naar zijn oordeel:
Het achtste lid is van overeenkomstige toepassing. |
| 11. | De in het negende lid bedoelde plicht tot tijdige uitvoering van maatregelen blijft van kracht totdat die uitvoering of verdere uitvoering naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad en gehoord de Tweede Kamer der Staten-Generaal, niet langer vereist is om een grenswaarde te bereiken of daaraan te blijven voldoen. |
| 12. | Binnen een krachtens het derde lid aangewezen gebied kunnen bestuursorganen die het aangaat, na een daartoe strekkende melding aan Onze Minister:
|
| 13. | De bij de melding, bedoeld in het twaalfde lid, aangegeven wijziging of wijzigingen behoeven de instemming van Onze Minister. Onze Minister beslist hieromtrent binnen zes weken na ontvangst van de melding. De instemming is van rechtswege gegeven indien Onze Minister niet binnen de genoemde termijn een beslissing heeft genomen. |
| 14. | Binnen zes weken nadat een instemming als bedoeld in het dertiende lid is verkregen wordt door de betrokken bestuursorganen kennis gegeven van de bij de melding aangegeven wijziging of wijzingen en van de daarmee verleende instemming in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis blad, dan wel op een andere geschikte wijze. |
| 1. | Een of meerdere bestuursorganen gezamenlijk, niet zijnde bestuursorganen van het Rijk, kunnen een programma vaststellen dat gericht is op het bereiken van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde in een bij dat programma aan te wijzen gebied, niet zijnde een krachtens artikel 5.12, derde lid, aangewezen of aan te wijzen gebied, waar een grenswaarde wordt overschreden of dreigt te worden overschreden. |
| 2. | Bij de vaststelling van een programma op grond van het eerste lid wordt het krachtens artikel 5.12, eerste lid, vastgestelde programma in acht genomen. |
| 3. | Artikel 5.12, derde en vierde lid en achtste tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de wijziging, bedoeld in het tiende lid van dat artikel, plaatsvindt in overeenstemming met de andere betrokken bestuursorganen en dat de plicht tot melding, bedoeld in het twaalfde lid van dat artikel, niet van toepassing is. |
| 4. | Het programma wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan Onze Minister. |
| 5. | Indien voor een gebied als bedoeld in het eerste lid geen programma als bedoeld in dat lid wordt vastgesteld, treffen de betrokken bestuursorganen onverwijld de redelijkerwijs mogelijke maatregelen die er op gericht zijn de betreffende grenswaarde te bereiken. De artikelen 5.12, negende en elfde lid, en 5.14 zijn van overeenkomstige toepassing. |
De daartoe in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, aangewezen bestuursorganen rapporteren jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister over de voortgang en uitvoering van een programma en de daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en besluiten, alsmede over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.
| 1. | Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
|
| 2. | Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking tot methoden of criteria aan de hand waarvan:
|
| 1. | Bestuursorganen kunnen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen:
|
| 2. | De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften zijn de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in:
|
| 3. | Indien een onverwijlde wijziging of aanvulling van de in het tweede lid, onder a tot en met g, genoemde artikelen noodzakelijk is kan dat bij tijdelijke ministeriële regeling plaatsvinden, die voor zover daarbij is aangegeven in de plaats treedt van de daarbij genoemde artikelen. Artikel 5.8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 4. | Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin. |
| 5. | Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en sub 2, of onder c, voor zover het betreft de onlosmakelijk met een uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen:
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld. |
| 6. | Buiten een periode als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of een in een programma als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, opgenomen periode, blijft het eerste lid, aanhef en onder d, buiten toepassing, met dien verstande dat de uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk voorschrift met betrekking tot een ontwikkeling of voorgenomen besluit dat eerder was genoemd of beschreven in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, ook na het verstrijken van de desbetreffende periode mogelijk blijft. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, in daarbij aangewezen categorieën van gevallen waarin een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde op of na het tijdstip van ingang wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, en waarin de betreffende uitoefening of toepassing betrekking heeft op een bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk in de zin van de Woningwet, op een zodanige wijze plaatsvindt dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen met een verhoogde gevoeligheid voor de concentraties in de buitenlucht van een stof waar de betreffende grenswaarde betrekking op heeft. |
| 2. | Bij of krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan dat lid, met inbegrip van het beperken van een categorie tot gevallen waarin niet wordt voldaan aan daarbij gestelde eisen met betrekking tot de locatie of afstand van een bouwwerk ten opzichte van een bron of bronnen van luchtverontreiniging. |
| 1. | De bestuursorganen die het aangaat houden bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit rekening met de in bijlage 2 opgenomen richtwaarden en treffen maatregelen om zoveel mogelijk aan die richtwaarden te voldoen. |
| 2. | Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen. |
| 1. | De commissaris van de Koningin doet van een overschrijding van een in bijlage 2 genoemde alarmdrempel of informatiedrempel in zijn provincie zo spoedig mogelijk mededeling aan het publiek. |
| 2. | Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde mededeling en de daarbij aan het publiek te verstrekken gegevens alsmede met betrekking tot de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 7, derde lid, van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit. |
| 3. | Artikel 48, derde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | De daartoe krachtens artikel 5.20, eerste lid, onder b, aangewezen bestuursorganen stellen het kwaliteitsniveau met betrekking tot de in bijlage 2 genoemde stoffen vast met behulp van metingen of berekeningen. |
| 2. | Bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau, bedoeld in het eerste lid, worden als concentraties van verontreinigende stoffen in beschouwing genomen: stoffen, die direct of indirect door de mens in de lucht worden gebracht en die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu in zijn geheel. |
| 3. | Bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau, bedoeld in het eerste lid, worden concentraties van zwevende deeltjes (PM10), die veroorzaakt worden door natuurverschijnselen, buiten beschouwing gelaten. |
| 4. | Burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten doen aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister, schriftelijk verslag van de uitkomsten van de op grond van het eerste lid verrichte metingen of berekeningen. |
| 5. | Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het tweede en derde lid. |
| 6. | Voor de toepassing van het derde lid wordt onder natuurverschijnselen verstaan: seismische activiteit, spontane branden, stormen, atmosferische resuspensie en verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge gebieden, die een significante verhoging van de normale achtergrondconcentraties van natuurlijke oorsprong ten gevolge hebben. |
| 1. | Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van deze titel regels gesteld met betrekking tot:
|
| 2. | Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het gebruik van daarbij aangewezen gegevens of van daarbij aangewezen methoden voor het meten of berekenen van het kwaliteitsniveau uitsluitend is toegestaan na voorafgaande goedkeuring door Onze Minister. |
| 3. | De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, kan worden onthouden of ingetrokken indien het gebruik van de betreffende gegevens of methoden naar het oordeel van Onze Minister niet of niet langer leidt tot een voldoende nauwkeurige of betrouwbare weergave van het kwaliteitsniveau en andere, met het oog daarop meer geschikte gegevens of methoden beschikbaar zijn. |
| 4. | Aan de goedkeuring kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze kunnen worden gewijzigd of ingetrokken. |
| 1. | Onze Minister kan:
|
| 2. | De door middel van de toetsing verkregen resultaten treden in de plaats van eerdere of anderszins verkregen resultaten. |
| 3. | Onze Minister maakt de in het tweede lid bedoelde resultaten kenbaar aan het desbetreffende bestuursorgaan. |
| 1. | Onze Minister wijst voor de toepassing van deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen ten behoeve van de metingen en berekeningen van het kwaliteitsniveau zones, onderscheidenlijk agglomeraties, aan. |
| 2. | Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de vijf jaar in hoeverre de aanwijzing van zones en agglomeraties, bedoeld in het eerste lid, wijziging behoeft. |
| 3. | Onze Minister stelt op basis van de aanwijzing van zones en agglomeraties en de resultaten van de metingen en berekeningen, bedoeld in het eerste lid, lijsten als bedoeld in artikel 8 van de EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit vast, alsmede lijsten als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 5 van richtlijn nr. 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2002 betreffende ozon in de lucht (PgEG L 67) en artikel 3 van richtlijn nr. 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PbEG L23). |
| 1. | Onze Minister kan gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders, indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, 5.12, zevende en negende lid, 5.14 of 5.19, vierde lid, een aanwijzing geven om daar alsnog uitvoering aan te geven. Onze Minister houdt daarbij rekening met een doelmatig luchtkwaliteitsbeleid dat gericht is op het bereiken van en het blijven voldoen aan een in bijlage 2 genoemde grenswaarde. |
| 2. | Bij de aanwijzing wordt een termijn gesteld waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan de aanwijzing. |
| 3. | Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat het betrokken bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld van zijn gevoelen omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken, tenzij spoedeisende omstandigheden zich daartegen verzetten. |
| 4. | Wanneer het betrokken bestuursorgaan een krachtens het eerste lid gevorderd besluit of gevorderde handeling niet of niet naar behoren neemt dan wel uitvoert, is Onze Minister bevoegd daarin namens dat bestuursorgaan en ten laste van dat bestuursorgaan te voorzien. |
[Gereserveerd.]
| 1. | In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; de commissie: de Commissie voor de milieu-effectrapportage. |
| 2. | Tenzij anders is bepaald, wordt vanaf paragraaf 7.4 in dit hoofdstuk verstaan onder:
|
| 3. | Het tweede lid, onder a, onder 2°, geldt niet indien een bepaling uitsluitend betrekking heeft op een besluit als bedoeld in dat lid, onder c. |
| 4. | In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover het plannen betreft, onder bevoegd gezag mede verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan. |
| 5. | In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden, voor zover zij niet reeds op grond van andere wettelijke bepalingen als zodanig dienen te worden aangemerkt, tevens als adviseurs aangemerkt:
|
| 6. | Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot een daarbij aangewezen activiteit of plan, dan wel besluit worden bepaald wie, onderscheidenlijk welk orgaan voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt aangemerkt als degene die de activiteit onderneemt, onderscheidenlijk als bevoegd gezag. Daarbij kunnen voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillende personen of organen worden aangewezen. |
Dit hoofdstuk is mede van toepassing op:
| a. | activiteiten als bedoeld in artikel 7.2 die plaatsvinden in de exclusieve economische zone; |
| b. | de ter zake van de onder a bedoelde activiteiten krachtens artikel 7.2 aangewezen plannen of besluiten; |
| c. | plannen als bedoeld in artikel 7.2a, voor zover een daarin voorgenomen activiteit plaats zal vinden in de exclusieve economische zone; |
| d. | activiteiten als bedoeld in artikel 7.4 die plaatsvinden in de exclusieve economische zone. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen:
|
| 2. | Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Een plan wordt slechts aangewezen indien het plan het kader vormt voor een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid. Een plan vormt in elk geval het kader voor een zodanig besluit indien in dat plan:
|
| 3. | Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. |
| 4. | Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.8b of 7.8d moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. |
| 5. | Bij de maatregel kan een plan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in het derde of vierde lid, mits dat plan voor de desbetreffende activiteit niet is aangewezen op grond van het tweede lid. |
| 6. | Tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede activiteiten behoren, die in samenhang met andere activiteiten belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. |
| 7. | Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van een activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. |
| 8. | Bij of krachtens de maatregel wordt het tijdstip bepaald met ingang waarvan met betrekking tot een aangewezen categorie van plannen of besluiten de in het tweede, derde, en vierde lid bedoelde verplichtingen ingaan. |
| 1. | Een milieu-effectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19f, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998. |
| 2. | In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt de passende beoordeling opgenomen in het milieu-effectrapport. Die beoordeling wordt als zodanig herkenbaar weergegeven in dat rapport. |
| 1. | Bij de maatregel, bedoeld in artikel 7.2, worden geen plannen aangewezen die:
|
| 2. | Artikel 7.2a is niet van toepassing met betrekking tot plannen als bedoeld in het eerste lid. |
| 1. | Indien Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of een van Onze andere Ministers voornemens is een activiteit te ondernemen, die niet is opgenomen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2 en die belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, deelt hij dat voornemen onverwijld mede aan Onze Minister. |
| 2. | Jaarlijks doen Onze Ministers en Onze andere Ministers in de memorie van toelichting op het desbetreffende hoofdstuk van de Rijksbegroting ieder voor hun ministerie verslag van de toepassing van het eerste lid. |
| 1. | Onze Ministers te zamen kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport bij de voorbereiding van een krachtens artikel 7.2, derde lid, aangewezen besluit in gevallen waarin:
|
| 2. | Een ontheffing krachtens het eerste lid kan worden verleend op verzoek van degene die de activiteit onderneemt, of van het bevoegd gezag. |
| 3. | Onze Ministers tekenen de datum van ontvangst van het verzoek aan op het geschrift waarbij het is ingediend, en zenden de verzoeker een bericht van ontvangst, waarin die datum is vermeld. |
| 4. | Behoudens in een geval als bedoeld in het eerste lid, onder c, stellen Onze Ministers, voordat zij op het verzoek beslissen, het bevoegd gezag, indien het verzoek daarvan niet afkomstig is, in de gelegenheid hun omtrent het verzoek advies uit te brengen. In een geval als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, stellen zij tegelijkertijd ook de commissie daartoe in de gelegenheid. Indien van de gelegenheid advies uit te brengen gebruik wordt gemaakt, wordt het advies binnen vijf weken na de datum waarop daarom is verzocht, aan Onze Ministers gezonden. |
| 5. | De beslissing op het verzoek wordt genomen uiterlijk negen weken na de datum van ontvangst. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de beslissing mededeling gedaan aan de commissie en het bevoegd gezag. |
| 6. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent:
|
| 1. | Provinciale staten kunnen met het oog op de bescherming van het milieu in binnen hun provincie gelegen gebieden, niet zijnde gebieden als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, die van bijzondere betekenis zijn of waarin het milieu reeds in ernstige mate is verontreinigd of aangetast in de provinciale milieuverordening activiteiten aanwijzen, die niet zijn opgenomen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, en die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu in die gebieden. Artikel 7.2, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | Terzake van die activiteiten kunnen zij de categorieën van plannen aanwijzen bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd. De artikelen 7.2, tweede lid, tweede en derde volzin, vijfde, zevende en achtste lid, en 7.3, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. |
| 3. | Terzake van die activiteiten wijzen zij de categorieën van besluiten aan bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt indien die activiteiten binnen hun provincie worden uitgevoerd. Artikel 7.2, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 4. | Op de voorbereiding van een besluit, houdende een aanwijzing krachtens het eerste tot en met derde lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing; zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. Gedeputeerde staten plegen over het ontwerp overleg met burgemeester en wethouders van de gemeenten en de besturen van de waterschappen in hun provincie. Zij stellen de in artikel 7.1, vijfde lid, onder b, 1°, bedoelde instantie, alsmede Onze Minister in de gelegenheid omtrent het ontwerp advies uit te brengen. |
| 5. | Gedeputeerde staten leggen met het ontwerp van het besluit aan provinciale staten een verslag over van het gevoerde overleg, de uitgebrachte adviezen en de naar voren gebrachte zienswijzen, waarbij zij onder opgave van redenen aangeven in hoeverre daarmee rekening is gehouden. |
| 6. | Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit, houdende een aanwijzing als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt daarvan mededeling gedaan door toezending van een exemplaar aan ieder van Onze Ministers en, voorzover het de aanwijzing betreft van categorieën van besluiten als bedoeld in het derde lid, aan de commissie. |
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6, eerste tot en met derde lid.
| 1. | Gedeputeerde staten kunnen van de krachtens een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6 geldende verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport ontheffing verlenen in gevallen als bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid. Artikel 7.5, derde, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | Behoudens in een geval als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, onder c, stellen gedeputeerde staten, voordat zij een ontheffing verlenen, het bevoegd gezag, indien het verzoek daarvan niet afkomstig is, en de in artikel 7.1, vijfde lid, bedoelde instanties met uitzondering van de inspecteur in de gelegenheid advies uit te brengen. Artikel 7.5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 3. | Bij een besluit, houdende een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6 worden regelen gesteld omtrent de in artikel 7.5, achtste lid, genoemde onderwerpen. |
| 1. | Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag. |
| 2. | Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, wordt in elk geval aandacht besteed aan de in artikel 7.8b, eerste lid, bedoelde bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen. |
| 3. | Bij een mededeling als bedoeld in het eerste lid kan degene die de activiteit wil ondernemen, verklaren dat hij bij de voorbereiding van het besluit een milieu-effectrapport maakt. |
| 1. | Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.8a, derde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. |
| 2. | Indien wenselijk, vindt, alvorens het bevoegd gezag een beslissing neemt, overleg plaats met degene die de mededeling heeft gedaan. |
| 3. | Indien met betrekking tot de activiteit meer dan één besluit is aangewezen, nemen de bevoegde bestuursorganen de in het eerste lid bedoelde beslissing gezamenlijk. |
| 4. | Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden. |
| 5. | Het bevoegd gezag doet mededeling van zijn beslissing door:
|
| 6. | In kennisgevingen als bedoeld in het vijfde lid vermeldt het bevoegd gezag ten minste:
|
Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, is verplicht een milieu-effectrapport te maken indien:
| a. | het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieu-effectrapport moet worden gemaakt; |
| b. | hij een verklaring heeft gedaan als bedoeld in artikel 7.8a, derde lid. |
| 1. | Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit dat krachtens het vierde lid van dat artikel is aangewezen een beslissing omtrent de vraag of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Artikel 7.8b, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | Onder een zo vroeg mogelijk stadium wordt het volgende verstaan:
|
| 3. | Het bevoegd gezag neemt de beslissing na overleg met de instanties die bij of krachtens een wet moeten worden betrokken bij de voorbereiding van het betrokken besluit. |
| 4. | Het bevoegd gezag doet van de beslissing mededeling door:
|
| 5. | Bij de bekendmaking en mededeling van de beslissing vermeldt het bevoegd gezag ten minste:
|
De artikelen 7.8a tot en met 7.8d vinden geen toepassing ten aanzien van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die activiteit bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit bij die verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen.
| 1. | In gevallen waarin een besluit wordt genomen op verzoek van degene die de betrokken activiteit onderneemt, maakt deze het milieu-effectrapport. |
| 2. | In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen maakt het bevoegd gezag het milieu-effectrapport. |
| 1. | Een milieu-effectrapport bevat ten minste:
|
| 2. | Het milieu-effectrapport is gesteld in de Nederlandse taal. Indien het rapport betrekking heeft op een besluit kan het bevoegd gezag aan degene die de activiteit onderneemt, bij het geven van de in artikel 7.15 bedoelde richtlijnen toestemming verlenen het rapport in een daarbij aan te wijzen andere taal te stellen. De in het eerste lid, onder h, bedoelde samenvatting is steeds in de Nederlandse taal gesteld. Indien een activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de samenvatting in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben. |
| 3. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit behoort tot de ingevolge het eerste lid, onder b, te beschrijven alternatieven in ieder geval het alternatief waarbij de nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, deze met gebruikmaking van de beste bestaande mogelijkheden ter bescherming van het milieu, zoveel mogelijk worden beperkt. |
| 4. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit kan het bevoegd gezag bepalen dat, indien niet alle nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden beperkt, bij de ingevolge het eerste lid, onder b, te beschrijven alternatieven tevens de mogelijkheden worden beschreven om door het treffen van voorzieningen of maatregelen elders de resterende nadelige gevolgen te compenseren. |
| 5. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan:
|
| 6. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens worden bepaald en beschreven. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit, gegevens worden aangewezen, die een milieu-effectrapport in het belang van een goede besluitvorming, naast de in artikel 7.10 bedoelde, moet bevatten. Daarbij kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop die gegevens worden bepaald en beschreven. |
| 2. | Bij een maatregel krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat een aanwijzing of regel slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. |
| 3. | Onze Ministers kunnen te zamen regelen stellen met betrekking tot de vorm van een milieu-effectrapport. |
| 1. | Een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een plan is gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd. |
| 2. | Het milieu-effectrapport kan worden opgenomen bij of in het plan, mits het daarin als zodanig herkenbaar is weergegeven. |
Alvorens het milieu-effectrapport op te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.10 in het milieu-effectrapport moet worden opgenomen.
| 1. | Zo spoedig mogelijk nadat een bestuursorgaan het voornemen heeft opgevat tot het voorbereiden van een plan, maar uiterlijk op het moment dat het toepassing geeft aan artikel 7.11b, geeft het kennis van dat voornemen, met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. |
| 2. | In de kennisgeving wordt vermeld of:
|
| 3. | In de kennisgeving wordt voorts vermeld:
|
| 1. | Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens de artikelen 7.2, eerste lid, onder a, of 7.6, eerste lid, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit, aangewezen krachtens het derde lid van die artikelen, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag. |
| 2. | Het bevoegd gezag tekent de datum van ontvangst van de mededeling aan op het geschrift waarbij zij is gedaan, en zendt degene die haar heeft gedaan, onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. |
| 3. | Het zendt tegelijkertijd een exemplaar van de mededeling aan de commissie en aan de adviseurs. Het vermeldt daarbij de datum van ontvangst. |
| 4. | Het geeft voorts tegelijkertijd kennis van de ontvangst van de mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Kennisgeving geschiedt in een publicatie in een ander land ingeval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land. |
| 5. | Indien overeenkomstig artikel 14.6, eerste lid, een verzoek is gedaan tot toepassing van artikel 14.5, vindt toepassing van het derde en vierde lid eerst plaats nadat op dat verzoek is beslist. |
| 6. | Onze Ministers stellen regelen omtrent de inhoud van een mededeling als bedoeld in het eerste lid. |
| 7. | Indien een activiteit als bedoeld in het eerste lid belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, zendt degene die de activiteit onderneemt, op verzoek van het bevoegd gezag binnen een bij dat verzoek te bepalen termijn een vertaling van de mededeling in de landstaal van het gebied in het andere land waar de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben. |
| 1. | Indien het bevoegd gezag degene is die het milieu-effectrapport moet maken dat betrekking heeft op een besluit, deelt het aan de commissie en de adviseurs mee in het kader van welk door hem voorgenomen besluit het dat rapport zal maken. |
| 2. | Het geeft tegelijkertijd kennis van het door hem voorgenomen besluit met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 7.12, vierde lid, tweede volzin. |
| 3. | Artikel 7.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Het bevoegd gezag stelt de commissie en de adviseurs in de gelegenheid advies uit te brengen over het geven van richtlijnen inzake de inhoud van een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit. |
| 2. | De commissie brengt haar advies uit binnen negen weken na de openbare kennisgeving van de in artikel 7.12, eerste lid, bedoelde mededeling, onderscheidenlijk van het in artikel 7.13, eerste lid, bedoelde voornemen. Indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende gevolgen voor het milieu, gaat de commissie in haar advies daarop in. |
| 3. | Indien het bevoegd gezag het milieu-effectrapport niet zelf maakt, pleegt het voorts overleg over het geven van richtlijnen inzake de inhoud ervan met degene die de activiteit onderneemt. |
| 4. | Het bevoegd gezag stelt een ieder in de gelegenheid naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren te brengen over het geven van richtlijnen inzake de inhoud van het milieu-effectrapport. |
| 1. | Het bevoegd gezag geeft uiterlijk dertien weken na de openbare kennisgeving van een mededeling als bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, of van een voornemen als bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, richtlijnen inzake de inhoud van het milieu-effectrapport. In gevallen als bedoeld in artikel 7.13, eerste lid, kan het bevoegd gezag de termijn, bedoeld in de eerste volzin, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. |
| 2. | De in het eerste lid bedoelde richtlijnen kunnen:
|
| 3. | De gegevens bedoeld in het tweede lid, onder b, omvatten de gegevens die zijn aangegeven in bijlage IV bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, voor zover het bevoegd gezag dat noodzakelijk acht ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, van die richtlijn. |
| 4. | Ingeval de richtlijnen een milieu-effectrapport betreffen, dat moet worden gemaakt bij de voorbereiding van een besluit waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, kan geen onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onder b, worden verlangd ter verkrijging van gegevens als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, onder d. |
| 5. | De richtlijnen worden bekendgemaakt aan degene die de activiteit onderneemt en meegedeeld aan de commissie, de adviseurs en degenen die bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 7.14, vierde lid, zienswijzen naar voren hebben gebracht. Artikel 3:44, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. |
De artikelen 7.12 tot en met 7.15 vinden geen toepassing indien degene die het milieu-effectrapport zou moeten maken, reeds beschikt over een milieu-effectrapport, opgesteld overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, en in dat milieu-effectrapport als alternatief de activiteit is beschreven, waarop het besluit betrekking heeft, bij de voorbereiding waarvan het milieu-effectrapport moet worden gemaakt.
| 1. | Een milieu-effectrapport dat betrekking heeft op een besluit en dat niet door het bevoegd gezag is gemaakt, wordt aan het bevoegd gezag overgelegd. |
| 2. | Het bevoegd gezag tekent de datum van ontvangst van het rapport daarop aan. Het zendt degene die het heeft overgelegd, een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld. |
Het bevoegd gezag kan een orgaan aanwijzen, dat voor de toepassing van artikel 7.20 voor hem in de plaats treedt.
| 1. | Indien de procedure van totstandkoming van een plan er niet in voorziet dat het ontwerp van dat plan ter inzage wordt gelegd en een ieder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze over dat ontwerp naar voren te brengen, wordt in afwijking van die procedure:
|
| 2. | Indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in het ontwerp van het plan:
|
| 3. | Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, wordt, indien krachtens wettelijk voorschrift een plan binnen een bepaalde termijn moet worden vastgesteld, die termijn verlengd met ten minste de termijn, bedoeld in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht. |
| 1. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een krachtens artikel 7.2, tweede lid, aangewezen plan, en de daarin voorgenomen, krachtens het eerste lid van dat artikel aangewezen, activiteit plaatsvindt in een gebied dat onderdeel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur of indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, wordt de commissie uiterlijk op het moment dat de in artikel 7.26a genoemde stukken ter inzage worden gelegd in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over dat rapport. |
| 2. | Artikel 7.26, derde lid, is van toepassing. |
| 1. | Het bevoegd gezag stelt een plan niet vast dan nadat het toepassing heeft gegeven aan de paragrafen 7.4 en 7.4a. |
| 2. | Het bevoegd gezag stelt een plan evenmin vast indien het plan ten opzichte van het ontwerp van dat plan zodanig is gewijzigd dat de gegevens die in het milieu-effectrapport zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd. |
| 1. | Bij het plan wordt in ieder geval vermeld:
|
| 2. | Het bevoegd gezag bepaalt bij de vaststelling van het plan de termijn of de termijnen waarop het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt gestart, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten. |
| 1. | Indien de procedure van totstandkoming van een plan niet voorziet in een openbare kennisgeving van een vastgesteld plan, wordt van dat plan kennisgegeven op de wijze, voorzien in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. |
| 2. | Indien het milieu-effectrapport niet is opgenomen in het plan wordt van dat rapport kennisgegeven tegelijk met het plan. |
| 1. | Het bevoegd gezag neemt een krachtens artikel 7.2, derde lid, of 7.6, derde lid, aangewezen besluit niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.12 tot en met 7.26. |
| 2. | Het bevoegd gezag neemt een besluit evenmin, indien de gegevens die in het milieu-effectrapport zijn opgenomen, redelijkerwijs niet meer aan het besluit ten grondslag kunnen worden gelegd in verband met aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden waarvan bij het maken van het milieu-effectrapport is uitgegaan. |
| 3. | Het bevoegd gezag neemt een beslissing omtrent een krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, aangewezen activiteit, en ten aanzien waarvan geen provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, van toepassing is, niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.8a tot en met 7.8d . |
| 1. | Het bevoegd gezag laat een aanvraag om een besluit buiten behandeling indien
|
| 2. | Het bevoegd gezag laat de aanvraag tevens buiten behandeling indien een besluit als bedoeld in artikel 7.8a krachtens wettelijk voorschrift op aanvraag wordt genomen en
|
Indien van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport - zo nodig in afwijking van artikel 7.20, tweede lid, derde volzin - in ieder geval gelijktijdig openbaar kennisgegeven.
| 1. | Indien krachtens wettelijk voorschrift van het voorontwerp of het ontwerp van een besluit openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport gelijktijdig openbaar kennisgegeven, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 7.29. Indien krachtens wettelijk voorschrift zowel van een voorontwerp als van een ontwerp van het besluit openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport gelijktijdig met het voorontwerp kennisgegeven. |
| 2. | Van het ontwerp van een besluit wordt, indien van een aanvraag om of een voorontwerp van het besluit openbaar kennis is gegeven, niet openbaar kennisgegeven dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.17 tot en met 7.20 en 7.26. |
Indien over een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28 dan wel het voorontwerp of het ontwerp van een besluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, kunnen zienswijzen over het milieu-effectrapport in ieder geval gelijktijdig naar voren worden gebracht met zienswijzen over die aanvraag dan wel dat voorontwerp of ontwerp.
| 1. | Indien met betrekking tot handelingen als bedoeld in de artikelen 7.28, eerste lid, 7.29, 7.30 en 7.32 de krachtens deze wet en krachtens andere wettelijke voorschriften geldende termijnen niet even lang zijn, geldt voor de betrokken perioden met betrekking tot de totstandkoming van het besluit de langste van die termijnen. |
| 2. | Indien krachtens wettelijk voorschrift een besluit binnen een bepaalde termijn moet worden genomen, wordt die termijn verlengd met vijf weken, alsmede, indien ingevolge het eerste lid langere termijnen in de plaats treden van termijnen die bij de totstandkoming van het besluit zouden gelden, met de som van de verschillen tussen de laatstbedoelde en de ingevolge het eerste lid geldende termijnen. |
| 1. | Bij het nemen van een besluit houdt het bevoegd gezag rekening met alle gevolgen die de activiteit waarop het besluit betrekking heeft, voor het milieu kan hebben. |
| 2. | Behoudens voor zover bij of krachtens het derde tot en met zesde lid anders is voorzien, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zich daartegen niet verzet. |
| 3. | Het bevoegd gezag kan, indien ter zake van een activiteit slechts één besluit is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in de wettelijke regeling waarop het besluit berust, zijn gesteld:
|
| 4. | Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het derde lid is, ongeacht hetgeen ter zake in de betrokken wettelijke regeling is bepaald, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. |
| 5. | Indien op de voorbereiding van meer dan een van de krachtens artikel 7.2, 7.4 of 7.6 ter zake van eenzelfde activiteit aangewezen besluiten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt een van die besluiten aangewezen als het besluit waarop het derde lid van toepassing is. Bij die aanwijzing kan worden bepaald dat zij slechts geldt in daarbij aangegeven gevallen. De aanwijzing geschiedt bij algemene maatregel van bestuur. |
| 6. | Met betrekking tot het krachtens het vijfde lid aangewezen besluit is het derde lid van toepassing, met dien verstande dat slechts voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld met betrekking tot onderwerpen waaromtrent geen voorwaarden, voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld bij de andere in het vijfde lid bedoelde besluiten. |
| 7. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid. |
Een krachtens een andere wettelijke regeling te nemen besluit wordt, ook voor zover daarbij artikel 7.35 wordt toegepast, geacht krachtens die regeling te worden genomen.
| 1. | De motivering van een besluit vermeldt in ieder geval:
|
| 2. | Het bevoegd gezag bepaalt bij het besluit de termijn of de termijnen waarop het onderzoek, bedoeld in artikel 7.39, wordt gestart, alsmede de wijze waarop het dat onderzoek zal verrichten. |
| 1. | Van een besluit doet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk mededeling door toezending van een exemplaar aan degenen die overeenkomstig artikel 7.20, derde lid, juncto artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zienswijzen naar voren hebben gebracht, en, voorzover van toepassing, aan de commissie en aan de adviseurs. Artikel 3:44, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | Het doet van zijn besluit tevens zo spoedig mogelijk mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 3.44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. |
| 1. | Indien een in een plan voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in een ander land, wordt aan de regering van dat land of aan een door die regering aan te wijzen autoriteit van dat land verstrekt:
|
| 2. | Indien een in een besluit voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu in een ander land, worden de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie, alsmede de aanvraag, bedoeld in artikel 7.28, onderscheidenlijk het ontwerp van het besluit en het besluit aan de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit in het andere land verstrekt gelijktijdig met de bekendmaking in Nederland. Tevens worden deze informatie en deze bescheiden toegezonden aan de instanties die daartoe door de bevoegde autoriteit van dat andere land zijn aangewezen op grond van hun specifieke verantwoordelijkheid op milieugebied. Artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 7.14, eerste lid, en 7.20, vierde lid, zijn ten aanzien van die instanties van overeenkomstige toepassing. |
| 3. | De ingevolge het eerste, dan wel tweede lid te verstrekken stukken dienen als grondslag voor het overleg met bestuursorganen in het betrokken andere land over de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu in dat andere land kan hebben, en de maatregelen die worden overwogen om die gevolgen te voorkomen of te beperken. |
| 4. | Onze Minister is belast met de taken die voortvloeien uit de toepassing van het eerste tot en met derde lid, voorzover het betreft het verschaffen van informatie aan en overleg met de regering van het andere land. Overigens is het bevoegd gezag belast met die taken. |
| 5. | Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. |
Behoudens het bepaalde in artikel 7.38a, eerste dan wel tweede lid, informeren Onze Minister onderscheidenlijk het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit in dat andere land. Artikel 7.38a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
| 1. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan zendt het bevoegd gezag indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land, aan Onze Minister een exemplaar van:
|
| 2. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit zendt het bevoegd gezag indien er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land, aan Onze Minister:
|
| 3. | Bij de toezending verzoekt het bevoegd gezag Onze Minister toepassing te geven aan artikel 7.38a, eerste lid. |
Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu meent te kunnen ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland, geven Onze Minister, onderscheidenlijk het bevoegd gezag op verzoek van dat land toepassing aan artikel 7.38a, eerste tot en met derde lid.
Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland kan Onze Minister:
| a. | indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan, bepalen dat het bevoegd gezag dat plan niet vaststelt dan nadat Onze Minister gedurende dertien weken na het einde van de termijn waarbinnen zienswijzen over het ontwerp van dat plan naar voren kunnen worden gebracht, in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, derde lid, aan het bevoegd gezag te doen toekomen; |
| b. | indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit, bepalen dat het bevoegd gezag dat besluit niet neemt, dan nadat Onze Minister gedurende dertien weken na het einde van de in artikel 7.26 bedoelde termijn in de gelegenheid is gesteld de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, derde lid, aan het bevoegd gezag te doen toekomen. |
De motivering van een besluit vermeldt in ieder geval:
| a. | indien in het milieu-effectrapport of in het advies, bedoeld in artikel 7.26, aandacht wordt geschonken aan mogelijke belangrijke nadelige grensoverschrijdende milieugevolgen, hetgeen daaromtrent is overwogen; |
| b. | hetgeen is overwogen omtrent de uitkomsten van het overleg, bedoeld in artikel 7.38a, tweede lid. |
| 1. | Het bevoegd gezag dat een plan heeft vastgesteld of een besluit heeft genomen, onderzoekt de gevolgen die de uitvoering van dat plan, dan wel van dat besluit heeft voor het milieu, wanneer de in het plan, dan wel in het besluit voorgenomen activiteit wordt ondernomen of nadat zij is ondernomen. |
| 2. | Indien een in een plan opgenomen activiteit slechts kan worden ondernomen nadat daarvoor een besluit is genomen, berust de verplichting, bedoeld in het eerste lid, bij het gezag dat dat besluit heeft genomen. |
Degene die de in dat plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit onderneemt, is verplicht aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken, die het redelijkerwijs voor het verrichten van het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek behoeft.
| 1. | Het bevoegd gezag stelt een verslag op van het onderzoek. |
| 2. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan zendt het bevoegd gezag het verslag aan de bestuursorganen, bedoeld in artikel 7.11b. Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een plan waarover de commissie overeenkomstig artikel 7.26b advies heeft uitgebracht, zendt het bevoegd gezag het verslag tevens aan de commissie. |
| 3. | Indien het milieu-effectrapport betrekking heeft op een besluit zendt het bevoegd gezag het verslag aan degene die de activiteit onderneemt, aan de commissie en aan de adviseurs. Het maakt het verslag gelijktijdig bekend met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. |
| 1. | Indien uit het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek blijkt dat de activiteit in belangrijke mate nadeliger gevolgen voor het milieu heeft dan die welke bij het vaststellen van het plan, dan wel bij het nemen van het besluit werden verwacht, neemt het bevoegd gezag, indien dat naar zijn oordeel nodig is, de hem ter beschikking staande maatregelen ten einde die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. |
| 2. | Indien het bevoegd gezag met betrekking tot een besluit tot het oordeel komt dat het moet worden gewijzigd of ingetrokken, zijn op die wijziging of intrekking de artikelen 7.35 en 7.36 van overeenkomstige toepassing. |
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 7.39, 7.41 en 7.42.
Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
in de gelegenheid hem advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een vergunning.
| 1. | Het bevoegd gezag betrekt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
|
| 2. | Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval rekening met:
|
| 3. | Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht:
|
| 4. | Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag aan, op welke wijze de in het eerste lid genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. |
Het bevoegd gezag draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten.
| 1. | De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. |
| 2. | De vergunning wordt in ieder geval geweigerd indien:
|
| 3. | In afwijking van het eerste lid kan de vergunning tevens worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. |
| 4. | Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. |
| 1. | In een vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft. |
| 2. | Een vergunning kan in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. |
| 3. | In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. |
| 4. | Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. |
| 5. | Voor zover met betrekking tot de inrichting regels gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten, kunnen de beperkingen en voorschriften daarvan alleen afwijken voor zover dat bij die regels is toegestaan. |
| 1. | De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken. |
| 2. | Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of categorieën van stoffen – in het bijzonder die, genoemd in bijlage III van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging –, die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. |
| 3. | Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning. Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, voor zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te verwachten en voldaan wordt aan de bepalingen die gelden ter uitvoering van richtlijn nr. 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), en de in bijlage IX bij de kaderrichtlijn water genoemde richtlijnen. |
| 4. | Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat:
|
| 5. | In afwijking van het vierde lid, onder b, worden geen voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot het ter beschikking stellen van gegevens als bedoeld in dat onderdeel, voor zover:
|
| 1. | Voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Voor zover die voorschriften betrekking hebben op gpbv-installaties wordt daarbij niet het gebruik van bepaalde technieken of technologieën voorgeschreven. |
| 2. | Indien voorschriften als bedoeld in het eerste lid, aan de vergunning worden verbonden in plaats van voorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste en tweede lid, leiden de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu. |
| 3. | Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat:
|
| 4. | Voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het derde lid, is artikel 8.12, vierde lid, onder b, van overeenkomstige toepassing. |
Aan de vergunning worden in ieder geval de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot:
| a. | een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; |
| b. | de bescherming van bodem en grondwater; |
| c. | het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, het doelmatig beheer van afvalstoffen en van afvalwater; |
| d. | het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting; |
| e. | het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende verontreinigingen; |
| f. | het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden; |
| g. | het voorkomen van ongevallen en het beperken van de gevolgen van ongevallen; |
| h. | het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie. |
| 1. | Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming van het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die voorschriften kunnen in ieder geval inhouden:
|
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onder c, worden geen voorschriften aan de vergunning verbonden met betrekking tot het melden of ter beschikking stellen van uitkomsten als bedoeld in dat onderdeel, indien:
|
| 3. | Bij een voorschrift inzake nadere eisen als bedoeld in het eerste lid, onder f, kan worden aangegeven hoe van die eisen door het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt kennisgegeven. |
| 1. | Aan een vergunning worden geen voorschriften verbonden, die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten. |
| 2. | Aan een vergunning worden, indien het een inrichting betreft waarop de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden betrekking hebben, geen voorschriften verbonden:
|
| 3. | Voorzover aan een vergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het tweede lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld, vervallen die voorschriften. |
| 1. | Indien de vergunning betrekking heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, bevat de vergunning ten minste de verplichtingen:
|
| 2. | Onze Minister kan regels stellen omtrent de wijze waarop de registratie plaatsvindt. |
In een vergunning kan worden bepaald:
| 1. | Het bevoegd gezag beziet regelmatig of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. |
| 2. | Het bevoegd gezag wijzigt de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, vult deze aan of trekt ze in, dan wel brengt alsnog beperkingen aan, of verbindt alsnog voorschriften aan de vergunning, voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt. |
| 3. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. |
| 4. | Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Het bevoegd gezag kan beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden in het belang van de bescherming van het milieu. |
| 2. | Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu met toepassing van het eerste lid te wijzigen. |
| 3. | Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van de beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden. |
| 2. | Met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die beperkingen en voorschriften zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing. |
| 1. | Het bevoegd gezag kan - onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.38, 8.39 en 18.12 bepaalde - een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken:
|
| 2. | Het bevoegd gezag trekt de vergunning in:
|
| 3. | Een belanghebbende, met uitzondering van de vergunninghouder, kan het bevoegd gezag verzoeken een vergunning met toepassing van het eerste lid in te trekken. |
| 4. | Met betrekking tot een beslissing als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 8.6 tot en met 8.9 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de voorbereiding van de intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onder c, d, e of f, of tweede lid. |
| 5. | In een geval als aangegeven krachtens artikel 8.15 kan een voorschrift overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur aan de beschikking tot intrekking worden verbonden. Artikel 8.15, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. |
| 6. | In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat een voorschrift als bedoeld in het vijfde lid, dan wel daarbij aangewezen aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aan te geven termijn blijven gelden. |
| 7. | Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het eerste lid, onder f, is artikel 8.10, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. |
| 8. | Het bevoegd gezag gaat tot intrekking van een vergunning op grond van het eerste lid, onder c, d, e of f, of het tweede lid niet over zonder de vergunninghouder in de gelegenheid te hebben gesteld binnen een termijn van zes weken schriftelijk of mondeling zienswijzen over de intrekking naar voren te brengen. Van de beschikking wordt mededeling gedaan door toezending daarvan aan de adviseurs. |
Een ingevolge deze afdeling gegeven beschikking waarop artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, wordt gegeven binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp van die beschikking.
In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd, die betrekking heeft op een inrichting van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in het oppervlaktewater worden gebracht, worden, indien daarvoor een vergunning krachtens die wet vereist is, bij de toepassing van dit hoofdstuk, van hoofdstuk 13 en van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht de bepalingen van deze paragraaf in acht genomen.
Indien in de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een bepaling wordt opgenomen als bedoeld in artikel 8.17 over de termijn waarvoor zij geldt, kan een gelijke bepaling worden opgenomen in de vergunning krachtens deze wet.
De motivering van de beschikking vermeldt in ieder geval de invloed die de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen heeft gehad op de inhoud van de vergunning of de beschikking tot wijziging van de vergunning krachtens deze wet.
Ten aanzien van een wijziging van een vergunning overeenkomstig de artikelen 8.22, tweede lid, en 8.23 zijn de artikelen 8.28, 8.29, 8.31, eerste en tweede lid, 8.31a en 8.32 van overeenkomstige toepassing.
| 1. | Het bevoegd gezag kan een vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken. |
| 2. | Met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking is artikel 8.25, achtste lid, van overeenkomstige toepassing. |
In gevallen waarin een verklaring als bedoeld in artikel 8.36a vereist is, geeft het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag om de vergunning geen toepassing aan artikel 8.8 en evenmin aan artikel 10.14 j° artikel 10.4, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op de criteria, genoemd in artikel 10.5, tweede lid.
voor zover dat in het belang van een doelmatig beheer van de betrokken afvalstoffen nodig is. Bij het verzoek kan Onze Minister een termijn bepalen waarbinnen aan zijn verzoek wordt voldaan.
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen, die niet behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage I van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. |
| 2. | Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval betrokken:
In een toelichting bij de maatregel wordt aangegeven op welke wijze deze aspecten bij de voorbereiding van de maatregel zijn betrokken. |
| 3. | Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de artikelen 8.11, derde lid, 8.12 tot en met 8.16 en 8.22, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt. |
Deze titel is slechts van toepassing op stortplaatsen waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 is vereist, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, en
| a. | waarvoor een algemene maatregel van bestuur geldt als bedoeld in artikel 8.45, of |
| b. | uitsluitend baggerspecie wordt gestort. |
De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat werkzaamheden worden verricht ten behoeve van die zorg, onverminderd zijn recht op schadevergoeding.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter uitvoering van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
| 1. | Onze Minister is de bevoegde instantie, bedoeld in de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen. |
| 2. | Voor onderdelen van de verordening die betrekking hebben op beleid dat behoort tot de verantwoordelijkheid van een Onzer andere Ministers, wordt voor die onderdelen die minister als bevoegde instantie aangewezen. De aanwijzing geschiedt bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met die minister. |
| 1. | Het is verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: de artikelen 5, 7, derde lid, 8, tweede lid, 9, vierde en zesde lid, 14, eerste, zesde en zevende lid, 31, eerste, tweede, derde, zevende en negende lid, 32, eerste en derde lid, 33, 34, 35, 37, vierde tot en met zevende lid, 38, eerste, derde en vierde lid, 39, eerste en tweede lid, 40, derde en vierde lid, 50, vierde lid, 55, 56, eerste en tweede lid, 60, tiende lid, 65 en 67, eerste lid. |
| 2. | Het is eveneens verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen: de artikelen 6, eerste en derde lid, 7, eerste, tweede en vijfde lid, 9, tweede lid, 11, eerste lid, 13, eerste, derde en vierde lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 22, eerste, tweede en vierde lid, 24, tweede lid, 25, eerste en tweede lid, 26, eerste en derde lid, 30, eerste, tweede, derde en vierde lid, 31, vijfde en achtste lid, 32, tweede lid, 36, 37, tweede en derde lid, 41, vierde lid, 46, tweede lid, 49, 50, tweede en derde lid, 61, eerste en derde lid, 63, derde lid, 66, eerste lid, 105 en 113, eerste en derde lid. |
| 3. | Het is verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met andere bepalingen van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen dan genoemd in het eerste of tweede lid, voor zover die bepalingen ter uitvoering van artikel 126 van die verordening bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. |
| 4. | Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid vervalt een jaar nadat hij in werking is getreden, dan wel, indien binnen die termijn een voorstel van wet tot wijziging van het eerste of tweede lid bij de Staten-Generaal is ingediend, op het tijdstip waarop dat voorstel is verworpen of, na tot wet te zijn verheven, in werking is getreden. |
| 5. | Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op gedragingen, voorzover daaromtrent regels zijn gesteld bij of krachtens de Warenwet. |
| 1. | In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: CE-markering: markering als bedoeld in besluit nr. 93/465/EEG van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de conformiteitbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PbEG L 220) en bestaande uit het opschrift «CE» als weergegeven in bijlage III bij de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten; componenten en subeenheden: onderdelen die bedoeld zijn om in een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen energieverbruikend product te worden ingebouwd en die niet als losse onderdelen ten behoeve van gebruikers op de markt worden gebracht of in gebruik worden genomen, dan wel waarvan de milieuprestaties niet onafhankelijk van voornoemd product kunnen worden beoordeeld; conformiteitsverklaring: document waarbij de fabrikant overeenkomstig bijlage VI bij de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten verklaart dat aan alle voor dat product relevante bepalingen van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel wordt voldaan, onder verwijzing naar die uitvoeringsmaatregel; EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten: richtlijn nr. 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 191); energieverbruikend product:
fabrikant: degene die een energieverbruikend product vervaardigt met het oog op het op de markt brengen onder zijn eigen naam of handelsmerk of voor eigen gebruik; importeur: in de Europese Gemeenschap gevestigde persoon die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product uit een land buiten de Europese Unie op de markt brengt; op de markt brengen: op de markt brengen, tegen vergoeding of kosteloos, met het oog op de distributie of het gebruik ervan, ongeacht de wijze waarop dat geschiedt; uitvoeringsmaatregel: krachtens de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten goedgekeurde maatregel tot vaststelling van voorschriften voor een ecologisch ontwerp voor daarin aangegeven energieverbruikende producten, alsmede uitvoeringsmaatregel als bedoeld in artikel 21 van de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten. |
| 2. | Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder ecologisch ontwerp, ecologisch profiel, geharmoniseerde norm, materialen, milieuprestaties, productontwerp onderscheidenlijk verbetering van de milieuprestaties verstaan hetgeen daaronder in artikel 2 van de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten wordt verstaan. |
| 3. | Bij het ontbreken van een fabrikant of importeur van een energieverbruikend product wordt degene die dat energieverbruikende product op de markt brengt of in gebruik neemt, voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen als fabrikant aangemerkt. |
| 4. | Een wijziging van de in het tweede lid genoemde begrippen in de EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten of van een bijlage bij die richtlijn waarnaar bij of krachtens deze titel wordt verwezen, gaat voor de toepassing van het bij of krachtens deze titel bepaalde gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. |
Een fabrikant kan een persoon schriftelijk machtigen om namens hem bij of krachtens deze titel geldende verplichtingen na te komen, mits deze gemachtigde binnen de Europese Gemeenschap is gevestigd.
Deze titel is niet van toepassing op middelen voor het vervoer van personen of goederen.
| 1. | Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van energie-efficiëntie en bescherming van het milieu met betrekking tot het ecologisch ontwerp van een categorie van energieverbruikende producten en de verstrekking van daarmee verband houdende informatie over die producten aan de gebruikers regels worden gesteld. |
| 2. | Het is de fabrikant onderscheidenlijk importeur van een energieverbruikend product dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, verboden dat product op de markt te brengen of in gebruik te nemen, indien met betrekking tot dat product niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze titel en in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen. |
| 1. | De fabrikant onderscheidenlijk importeur draagt er zorg voor dat een energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, alvorens dat product op de markt wordt gebracht of in gebruik wordt genomen, aan een conformiteitsbeoordeling wordt onderworpen, waarbij wordt getoetst of het voldoet aan de bij of krachtens deze titel en in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de wijze waarop de toetsing met betrekking tot dat product plaatsvindt. |
| 2. | De fabrikant maakt met betrekking tot een energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, een conformiteitsverklaring op en brengt een CE-markering op het product aan. De importeur draagt er zorg voor dat hij met betrekking tot een dergelijk product beschikt over de conformiteitsverklaring en dat op het product een CE-markering is aangebracht. |
| 1. | De fabrikant onderscheidenlijk importeur van een energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, bewaart na het in Nederland op de markt brengen of in gebruik nemen van dat product de relevante documenten betreffende de conformiteitsbeoordeling, als bedoeld in artikel 9.4.5, eerste lid, en de daaromtrent afgegeven conformiteitsverklaringen gedurende een periode van tien jaar na beëindiging van de vervaardiging van dat product. |
| 2. | De fabrikant onderscheidenlijk importeur stelt de in het eerste lid bedoelde documenten binnen tien dagen na ontvangst van een verzoek van het bevoegd gezag, belast met het toezicht op de naleving van de wet, beschikbaar aan dat bevoegde gezag. |
| 3. | Fabrikanten van componenten en subeenheden kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot een energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, worden verplicht aan de fabrikant onderscheidenlijk importeur van dat product daarbij aangegeven relevante informatie te verstrekken over de materiaalsamenstelling en het verbruik van energie, materialen of hulpbronnen van de door hen geproduceerde componenten of subeenheden. |
| 1. | Het is verboden op een energieverbruikend product een markering aan te brengen, die de gebruikers van dat product kan misleiden omtrent de betekenis of de vorm van de CE-markering. |
| 2. | Het is verboden een energieverbruikend product dat behoort tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, dat nog niet op de markt is gebracht en niet in overeenstemming is met het bij of krachtens deze titel bepaalde en met de toepasselijke uitvoeringsmaatregel, te tonen of te demonstreren op handelsbeurzen, tentoonstellingen of soortgelijke evenementen. Het verbod geldt niet indien duidelijk zichtbaar is aangegeven dat het product nog niet met die uitvoeringsmaatregel in overeenstemming is en niet op de markt zal worden gebracht, zolang het product nog niet met het bij of krachtens deze titel bepaalde en met de toepasselijke uitvoeringsmaatregel in overeenstemming is. |
| 1. | Een energieverbruikend product, behorende tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, dat van een CE-markering is voorzien, wordt vermoed te voldoen aan de voor dat product bij of krachtens deze titel en in de uitvoeringsmaatregel gestelde eisen. |
| 2. | Een energieverbruikend product, behorende tot een ingevolge een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, waarvoor een geharmoniseerde norm is toegepast waarvan het referentienummer in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel waarop die norm betrekking heeft. |
| 3. | Een energieverbruikend product, behorende tot een ingevolge een maatregel als bedoeld in artikel 9.4.4, tweede lid, aangewezen categorie, waarvoor overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000 de communautaire milieukeur is verleend, wordt vermoed te voldoen aan de voorschriften inzake ecologisch ontwerp van de toepasselijke uitvoeringsmaatregel voor zover de milieukeur aan die voorschriften voldoet. |
| 1. | Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. |
| 2. | Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. |
| 3. | Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. |
| 4. | Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen. |
| 5. | De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet of een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen. |
Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een afvalbeheersplan vast.
Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister er rekening mee dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat in de navolgende voorkeursvolgorde:
| a. | het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt; |
| b. | bij het vervaardigen van stoffen, preparaten of producten gebruik wordt gemaakt van stoffen en materialen die na gebruik van het product geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken; |
| c. | stoffen, preparaten of producten na gebruik als zodanig opnieuw worden gebruikt; |
| d. | stoffen en materialen waaruit een product bestaat, na gebruik van het product opnieuw worden gebruikt; |
| e. | afvalstoffen worden toegepast met een hoofdgebruik als brandstof of voor een andere wijze van energieopwekking; |
| f. | afvalstoffen worden verwijderd door deze te verbranden op land; |
| g. | afvalstoffen worden gestort. |
Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan.
| 1. | Het afvalbeheersplan bevat de onderwerpen die ingevolge voor Nederland bindende besluiten van de instellingen van de Europese Unie moeten worden opgenomen in een zodanig plan. |
| 2. | Het afvalbeheersplan bevat voorts in ieder geval:
|
Ten behoeve van het opstellen van het afvalbeheersplan verschaffen de bestuursorganen aan Onze Minister op zijn verzoek alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.
| 1. | Zodra het afvalbeheersplan is vastgesteld, doet Onze Minister hiervan mededeling door overlegging van het afvalbeheersplan aan de beide kamers der Staten-Generaal en door toezending ervan aan gedeputeerde staten van de provincies en burgemeester en wethouders van de gemeenten. |
| 2. | Onze Minister zendt het afvalbeheersplan tevens toe aan de bestuursorganen, instellingen en organisaties, die overeenkomstig artikel 10.8, derde lid, waren betrokken bij de voorbereiding ervan. |
| 1. | Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende afvalbeheersplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover de bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen. |
| 2. | Voor zover het afvalbeheersplan niet voorziet in het onderwerp met betrekking waartoe de bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het bestuursorgaan rekening met de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid. |
| 3. | Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen, regels worden gesteld ten aanzien van het vervaardigen, invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of in ontvangst nemen van bij die maatregel aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten. |
| 2. | Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels, inhoudende een verbod met betrekking tot zodanige stoffen, preparaten of producten:
|
| 3. | Met betrekking tot inrichtingen worden regels als bedoeld in het eerste lid alleen gesteld, indien dit uit een oogpunt van doelmatige regelgeving bijzonder aangewezen is. |
| 4. | In een algemene maatregel van bestuur krachtens het eerste lid wordt een termijn bepaald, eerst bij het verstrijken waarvan de bij die maatregel gestelde regels ten aanzien van stoffen, preparaten of producten, die bij het in werking treden van de maatregel reeds vervaardigd en hier te lande aanwezig waren, gaan gelden. |
| 5. | Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent onderwerpen die zijn geregeld in een maatregel krachtens het eerste lid. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen regels worden gesteld, inhoudende een verplichting voor degene die bij die maatregel aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten op de markt brengt, die stoffen, preparaten of producten of de verpakking ervan te voorzien van een door Onze Minister aangegeven aanduiding. Bij de maatregel kan worden bepaald dat die regels slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen. |
| 2. | Een aanduiding kan een aanbeveling inhouden met betrekking tot het beheer van de desbetreffende stoffen, preparaten of producten, de verpakking of de bij het gebruik vrijkomende afvalstoffen. |
| 3. | Onze Minister kan nadere regels stellen die aangeven welke producten worden begrepen onder de krachtens het eerste lid aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het bevorderen van nuttige toepassing of anderszins in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het innemen, nuttig toepassen of verwijderen van daarbij aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten. |
| 2. | Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels, inhoudende de verplichting voor degene die stoffen, preparaten of producten op de markt brengt:
|
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het bevorderen van nuttige toepassing of anderszins in het belang van de bescherming van het milieu, personen, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, worden verplicht bij die maatregel aangewezen categorieën van afvalstoffen of andere stoffen, preparaten of producten in ontvangst te nemen en vervolgens op een bij die maatregel aangegeven wijze toe te passen.
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders er zorg voor dragen dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om daarbij aangewezen stoffen, preparaten of producten achter te laten die zijn ingenomen krachtens artikel 10.17. |
| 2. | Bij de maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop burgemeester en wethouders uitvoering geven aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid. |
| 1. | De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. |
| 2. | Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld. |
| 3. | De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. |
Bij de afvalstoffenverordening kunnen in ieder geval regels worden gesteld:
| 1. | De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat:
|
| 2. | De gemeenteraad betrekt bij de voorbereiding van een zodanig besluit de ingezetenen en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening. |
| 3. | Burgemeester en wethouders stellen de inspecteur op de hoogte van het voornemen een zodanig besluit te nemen. |
| 4. | Onze Minister stelt regels inhoudende de voorwaarden waaronder ingevolge het eerste lid kan worden bepaald dat huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel worden ingezameld. Hiertoe behoren in ieder geval regels omtrent de loopafstand van het perceel naar het inzamelpunt en de beschikbaarheid van het inzamelpunt. |
In gevallen als bedoeld in artikel 10.26, eerste lid, onder b en c, dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dat op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het opnemen in de verordening van een verplichting bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen te brengen naar een daartoe beschikbaar gestelde plaats. |
| 2. | Bij de maatregel kan worden aangegeven op welke wijze de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dragen dat plaatsen als bedoeld in het eerste lid, binnen de gemeente in voldoende mate beschikbaar zijn. |
| 3. | Bij de maatregel kan worden bepaald dat de artikelen 10.21, eerste lid, en 10.24, eerste lid, onder a, niet van toepassing zijn met betrekking tot de inzameling van de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, die zijn aangewezen krachtens het eerste lid. |
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, voor zover het betreft gevallen waarin een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen van meer dan gemeentelijk belang is, regels worden gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen. |
| 2. | Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels die inhouden dat burgemeester en wethouders maatregelen treffen voor de inzameling van die afvalstoffen of daartoe voorzieningen tot stand brengen en in stand houden. |
De artikelen 10.21 tot en met 10.29 en titel 10.6 zijn niet van toepassing op het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en transporteren van afvalwater in een zodanige voorziening en het vanuit een zodanige voorziening afgeven van afvalwater aan een persoon die een zuiveringstechnisch werk beheert.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater regels worden gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, anders dan vanuit een inrichting.
| 1. | De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen. |
| 2. | Op verzoek van burgemeester en wethouders kunnen gedeputeerde staten in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater ontheffing verlenen van de verplichting opgenomen in het eerste lid, voor een in die ontheffing genoemde periode, voor:
|
Onze Minister stelt regels over het ontwerpen, bouwen, aanpassen en onderhouden van de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
| 1. | Onze Minister stelt iedere twee jaar een rapport op, waarin de stand van zaken wordt beschreven met betrekking tot de inzameling en het transport van afvalwater en de afvoer van slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van de rioolwaterzuiveringsinrichtingen die door een provincie, een gemeente of een waterschap worden beheerd. |
| 2. | Van de vaststelling van het rapport wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. |
| 3. | Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. Deze regels kunnen voor burgemeester en wethouders de verplichting inhouden jaarlijks op een daarbij aangegeven wijze gegevens te verstrekken, die voor de opstelling van het rapport nodig zijn. |
Voor de toepassing van deze titel worden ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.
| 1. | Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen. |
| 2. | Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:
|
| 1. | Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte:
|
| 2. | De geregistreerde gegevens worden tenminste vijf jaar bewaard en gedurende die periode ter beschikking gehouden van degenen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet. |
| 3. | Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een andere zodanige persoon, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte de in het eerste lid bedoelde gegevens aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie. |
| 1. | Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, aan wie bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte, aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie:
|
| 2. | Het is een persoon als bedoeld in het eerste lid verboden bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b, worden verstrekt. |
| 3. | Op verzoek van gedeputeerde staten van een provincie of burgemeester en wethouders van een gemeente die terzake bevoegd gezag zijn, worden de gegevens, als bedoeld in het eerste lid, aan gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders gezonden. |
| 1. | <