geluid home
Publikaties
geluidGeluid
Trillingen
Bouwschade
Bodem
Lucht
Asbest
Links
 
geluid
Terug naar overzicht

Hieronder treft informatie aan m.b.t. geluid opgesteld door ons bureau en/of derden.

(Gebruik van deze informatie is geheel voor eigen risico, er kunnen op generlei wijze rechten of claims aan ontleend worden).

Verzoek om een hogere waarde

Algemeen
Binnen zones langs wegen kunnen krachtens de Wet geluidhinder respectievelijk het "Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen" in bepaalde gevallen en binnen zekere grenzen hogere waarden worden vastgesteld dan de voorkeursgrenswaarde. Hogere Grenswaarde Wet geluidhinder Als uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde ingevolge de Wet geluidhinder wordt overschreden zijn Burgemeester en wethouders (B&W) bevoegd om een zogenaamde hogere grenswaarden vast te stellen – zulks binnen bepaalde in de Wet grenswaarden - behalve in de uitzonderingsgevallen die later worden genoemd (art. 110a Wet geluidhinder). Als de geluidbron en de woningen – of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen die een hogere waarde krijgen – binnen een gemeente liggen, zijn B&W van die gemeente bevoegd. Gaat het om de realisatie of wijziging van een geluidbron die ligt in een andere gemeente dan waar de woningen of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen liggen, dan zijn B&W van de gemeente met de geluidbron bevoegd. Zij moeten dan wel overleggen met B&W van de gemeente waarin de geluidgevoelige gebouwen of terreinen liggen (art. 110b). Wordt er een hoofdspoorweg of een rijks- of provinciale weg aangelegd of gewijzigd, of een geluidzone vastgesteld of gewijzigd rond een ‘industrieterrein van regionaal belang’ (provinciale milieuverordening art. 110a, 7e lid), dan zijn Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie waar de (spoor)weg of het industrieterrein liggen, bevoegd om de hogere waarde vast te stellen. Als daarbij woningen of andere geluidgevoelige gebouwen of terreinen in een andere provincie te maken krijgen met hogere waarden, moeten GS van de provincie met de geluidbron overleggen met hun collega’s van de andere provincie. Procedure Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (art. 110c) is van toepassing op de vaststelling van een ‘hogere-waardebesluit’. Provincie of gemeente kunnen zo’n besluit op verzoek nemen, maar ze zullen dit vaak op eigen initiatief doen. Als een gemeente een hogere waarde vaststelt bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, moet zij het ontwerpbesluit hiervoor tegelijk met het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage leggen. Wel blijven het twee aparte procedures. Dit geldt ook wanneer art. 19 van de Wet op de ruimtelijke ordening wordt toegepast (art.110c, 2e lid). Uiteraard dient de gemeenteraad het hogere-waardebesluit van B&W in acht te nemen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. B&W kunnen de gemeenteraad dan ook het beste al van tevoren informeren dat ze van plan zijn een hogere waarde vast te stellen.Wil de gemeenteraad toch een bestemmingsplan vaststellen dat afwijkt van het ontwerp, en daarmee ook van de geplande hogere waarde, dan moet de raad haar besluit aanhouden tot B&W een nieuw hogere-waardebesluit hebben genomen. Wanneer GS bevoegd zijn om hogere waarden vast te stellen, kan de raad hierop vooruitlopen en toch het bestemmingsplan vaststellen. Daarvoor moet de raad wel overleggen met GS. Als B&W besluiten hogere waarden vast te stellen bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, wordt de beroepsprocedure tegen het hogere-waardebesluit gekoppeld aan de procedure tegen het bestemmingsplan. Op de dag dat belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen goedkeuring van het bestemmingsplan door GS, begint ook de termijn voor beroepschriften tegen het hogere waarde besluit (art. 145). Ontheffingsgronden Zoals hiervoor al is aangegeven, blijft de systematiek van voorkeursgrenswaarden en hogere grenswaarden bestaan. De gewijzigde wet kent nu voor alle geluidbronnen een lijst van criteria voor vaststelling van een hogere waarde (art. 110a, 5e lid). Zo’n vaststelling mag alleen als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, of als ze stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële bezwaren hebben. De overige randvoorwaarden uit de oude AMvB’s zijn vervallen: B&W zullen hun besluit zelf moeten motiveren. B&W kunnen het beste eigen beleid ontwikkelen en vaststellen voor de vaststelling van hogere waarden. Veel gemeenten hebben dat, al dan niet in regionaal verband, reeds in gang gezet. Op dit punt is verder van belang dat de gewijzigde Wet geluidhinder nadrukkelijker een onderzoeksplicht oplegt. Allereerst moeten B&W of GS de geluidbelasting zonder beperkende maatregelen in beeld brengen (art. 77, 1e lid onder a). Stellen B&W een hogere waarde vast, of overwegen ze dat, dan is het niet voldoende om te onderzoeken hoe effectief de maatregelen zijn om aan die hogere waarde te voldoen (art. 77, 2e lid). B&W of GS moeten dan ook de maatregelen onderzoeken die kunnen helpen om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen (art. 77, 1e lid onder b). B&W of GS moeten dus goed motiveren waarom ze hogere waarden willen vaststellen en waarom ze niet (kunnen) voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Ook met de gewijzigde Wet geluidhinder kunnen B&W of GS in principe geen hogere waarde vaststellen dan de maximale grenswaarde die voor de betrokken situatie is vastgelegd. Maar op grond van de Interimwet stad-en-milieubenadering (die op 1 februari 2006 van kracht is geworden), kan het bevoegd gezag in bepaalde gevallen en onder strikte voorwaarden toch afwijken van die maximale grenswaarden. Hiervoor is een zogenoemd stap 3-besluit nodig, waarmee de gemeenteraad voor een aangegeven gebied (het zogenoemde projectgebied) een hogere waarde dan die uit de Wgh kan vaststellen. GS moeten dit besluit goedkeuren. Dit kan alleen bij nieuwbouw van woningen of andere geluidgevoelige objecten, en niet in saneringssituaties of bij de aanleg of wijziging van geluidbronnen.



 
 
AV-Consulting B.V. ® geluid
Postbus 705 | 2800 AS Gouda T. 0182 - 35 2311 |
sitemap | disclaimer