Terug naar overzicht

Hieronder treft informatie aan m.b.t. trillingen opgesteld door ons bureau en/of derden.
(Gebruik van deze informatie is geheel voor eigen risico, er kunnen op generlei wijze rechten of claims aan ontleend worden).

Hinder door trillingen Algemeen
De trillingsproblemen zijn globaal als volgt onder te verdelen: A. Schade aan bouwwerken of productie-processen vanwege trillingen
– Trillingen in het frequentie bereik van 1 tot 100 Hz die schade kunnen veroorzaken aan gebouwen of ge­bouwonderde­len of aan productie-processen welke in deze gebouwen plaatsvinden. B. Hinder vanwege trilling
– Trillingen in het frequentie bereik van 1 tot 100 Hz die door de mens als hinderlijk wordt ervaren of gevoelens veroorzaakt van onbehagen. C. Hinder vanwege afgestraald laagfrequent geluid
– Geluiddrukniveaus in gebouwen in het frequentie bereik van 16 tot 100 Hz die door de gebruikers van deze gebou­wen als hinderlijk worden ervaren. In het algemeen kan worden gesteld dat trillingen, die voor gebouwen nog niet schadelijk zijn, reeds voor de gebruikers van deze gebouwen als hinderlijk ervaren kunnen worden. De normen ten aanzien van beperking van trillingshinder op mensen zijn derhalve ook strenger dan de normen welke “gebouw schade” dienen te voorkomen. Dit geldt overigens niet voor mogelijke productie-processen welke in deze gebouwen plaatsvinden, die bijvoor­beeld bijzonder gevoelig zijn voor trillingen. In de meet- en beoordelingsrichtlijn “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen” van de Stichting Bouwresearch (SBR) is aangegeven op welke wijze trillingen vanwege machi­nes, hei­werkzaamheden, verkeer enz. op een eenduidige wijze gemeten en beoordeeld kunnen worden. Meten van trillingen
In de “dagelijkse” praktijk wordt voor het verrichten van tril­lingsmetingen tegenwoordig veelal gebruik gemaakt van een versnellingsopnemer, met name vanwege de hoge gevoeligheid, de rechte frequentie karakteristiek alsmede het geringe ge­wicht van de opnemers. Desgewenst kunnen met behulp van deze opne­mers gemeten versnellingniveaus met een integrator in de meetketen worden omgewerkt tot een snelheidssignaal. Indien de metingen verricht worden met een professionele geluidsniveaumeter of eenvoudige geluidsanalysator zal vanwege het beperkte frequentiegebied waarin wordt gemeten in de meetketen tevens een laagfrequent filter moeten worden toege­past om in het bereik van 1 tot 80 Hz trillingsmetingen te kunnen ver­richten. De trillingsopnemer dient stevig op de ondergrond bevestigd te worden op de plaats en in de ruimte waar de sterkste trillin­gen optreden, onder representatieve “gebruiksomstandigheden”. In nieuwbouw situaties kan de opnemer veelal met een “plaatje met schroefdraad” verlijmd worden op de constructie. In be­woonde situaties dient, ingeval van vloerbedekking, gebruik te worden gemaakt van een hulpstuk. Gelet op het te onderzoeken frequentie-gebied (1 t/m 80 Hz) zullen bevestigingsresonanties geen significante invloed heb­ben op de meetresultaten. Opgemerkt dient te worden dat de massa van de opnemer en het bevesti­gingsmiddel ten opzichte van de massa van de con­struc­tie waarop deze wordt aangebracht, ver­waarloosbaar klein dient te zijn. De plaats waar de trillingen zich veelal het sterkst manifes­te­ren is voor de verticale richting meestal in het midden van het vloerveld en in hori­zontale richting in de hoekpunten van een vloerveld van de ruimte waar de trillingen het sterkst waarneembaar zijn. Calibratie
Door middel van calibratie wordt de amplitude-frequentie karakteristiek gecontroleerd van het meetsysteem. Een goede calibratie bestaat uit een niveau-calibratie en een frequen­tie-respons-calibrator. Met de niveau-calibrator wordt het absolute niveau vastgelegd in één frequentie. Het calibratie-niveau dient bij voorkeur gekozen te worden tussen 50% en 100% van de volle waarde schaal. Bij een frequen­tie-calibratie wordt de relatieve-waarde van de trillingsgrootheid bij een zekere frequentie bepaald t.o.v. de niveau-calibratie. Deze laatste calibratie zal in de praktijk veelal alleen op het kantoor c.q. het lab plaatsvinden. In situ blijft de calibra­tie be­perkt tot een niveau calibratie. In principe dient de calibra­tie plaats te vinden in het meetgebied waarbinnen de metingen worden verricht. Gelet op het meetgebied van de SBR-richtlijn (1 – 80 Hz) en de beschikbare trillingscalibrators, zal de calibratie veelal buiten dit meetgebied plaatsvinden. Dit hoeft geen probleem te zijn mits de amplitude-frequentie-respons van het meetsysteem ook buiten het meetgebied lineair is. Meestal is dit het geval, e.e.a kan gecontroleerd worden aan de hand van de bij de trillingsopnemers meegeleverde calibratie-kaart. De nauwkeurigheid van de niveau calibratie mag niet meer afwijken dan:
–  1% voor de ingestelde frequentie en
–  5% voor de amplitude. De nauwkeurigheid van de bepaling van de trillingsgrootheid dient voor de gehele meetketen volgens de norm binnen 20% van de werkelijke te liggen. Richtlijn B van de Stichting Bouw Research
De door de Stichting Bouw Research (SBR) uitgebrachte meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Hinder voor personen in gebou­wen door trillingen” maakt onderdeel uit van drie richtlijnen die door de studiecommissie “Trillingshinder” van de SBR zijn uitgebracht. De andere twee richtlijnen hebben betrekking op het meten en beoordelen van trillingen in ver­band met mogelij­ke schade aan gebouwen (deel A) en verstoring van gevoelige apparatuur (deel C). Voor de bescherming van ons woon- en leefmilieu is de beoorde­lingsrichtlijn deel B van belang. Hieronder zal derhalve beknopt worden ingegaan op deze richtlijn. Het is duidelijk dat bij het opstellen van deze richtlijn onder meer de Duitse norm DIN 4150, Teil 2 van december 1992 als leidraad is gebruikt. In de richtlijn wordt zowel de procedure, als de te hanteren streefwaarden gegeven voor de beoordeling van trillingen voor mensen in gebouwen. Bij de richtlijn is een zeer handige kaart bijgevoegd waarop een samenvatting van de richtlijn is gegeven. Hierdoor kan vrij snel een overzicht worden verkregen van de belangrijkste criteria die bij de beoordeling van de trillin­gen in acht genomen moeten worden. Op deze kaart is een schema gegeven van de meet- en bewerkingsprocedure. De beoordeling van trillingen volgens de norm vindt plaats in het frequentie gebied van 1 tot 80 Hz waarbij in verblijfs­ruimten van woningen of andere gebouwen onder representa­tieve omstandigheden de trillingssnelheid of trillingsverplaatsing wordt geregistreerd. De metingen moeten worden verricht op een vloerveld in de ruimte waar de hinder optreedt en wel in de drie afzonderlijke rich­tingen (x-richting, y-richting en z-richting). In de algemene voorwaarden uit de norm worden onder meer de eisen geformu­leerd waaraan het meetcircuit dient te voldoen. Voor de beoordeling dient het geregistreerde trillingsignaal per meetpunt en in alle richtingen te worden “gewogen” met een wegingsfunctie waardoor de momen­tane waarde van de gewogen trillingsgrootheid v(t) wordt verkregen. De momentane waarde van het gewogen trillingsniveau V(t) wordt verkregen door vermenigvuldiging (V(t) = a * Ha(f­)). De procedure voor een snelheidssignaal is, behoudens de weeg­functie, hieraan gelijk. Per meetpunt en voor iedere richting dient vervolgens de voortschrijdende effectieve waarde te worden bepaald waarbij een integratietijd van 125 ms wordt gehanteerd. Normaal zal het meetinstrument direct de voort­schrijdende effectieve waarde (Veff(t)) aangeven (meterstand “Fast”).

Verder dienen per meetpunt en per meetrichting de volgende waarden bepaald te worden:
– de maximale waarde van Veff(t) over de duur van de meting (Veff,max);
– de maximale waarde van Veff(t) in een interval van 30 seconden (Veff,max,30,i);
– de effectieve waarde van de maxima per beoordelings­perio­de (Vper) waaronder wordt verstaan het kwadra­tisch gemid­delde van de grootste effectieve waarden van de interval­len [i] (Veff,max,30,i) in de betref­fende beoorde­lingsperiode (dag, avond en nacht). De beoordeling van trillingen in een ruimte wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de gevonden maximale trillings­sterkte in een ruimte (Vmax = grootste waarde van Veff,max) en de in hetzelfde meetpunt en dezelfde meetrichting vastge­stelde tril­lingsterkte over de beoordelings­periode (Vper = Vper) (dag-, avond- en nachtperiode). In de richtlijn worden streefwaarden gegeven voor de volgende omstandigheden:

– continu voorkomende trillingen gedurende langere tijd zoals ten gevolge van machines;
– herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd ten gevolge van weg- of railverkeer waarbij onder­scheid wordt gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties;
– continu of herhaald voorkomende trillingen gedurende een aaneengesloten tijdsduur, korter dan drie maan­den, zoals ten gevolge van bouw- en sloopwerkzaamhe­den;
– incidenteel voorkomende, kortdurende trillingen, zoals ten gevolge van explosies waarbij tevens reke­ning gehou­den dient te worden met de mogelijkheid van gebouwschade (zie hiervoor SBR-richtlijn A). SBR Trillingsmeter Draadloos en Energiearm in de Cloud