Geluidmeting / Geluidsmetingen NEN-5077

Hieronder treft informatie aan m.b.t. geluid opgesteld door ons bureau en/of derden.
(Gebruik van deze informatie is geheel voor eigen risico, er kunnen op generlei wijze rechten of claims aan ontleend worden). Algemeen
Een van de belangrijkste normen voor het verrichten van bouw­akoestische metingen is de NEN 5077. In deze norm worden methoden gegeven voor het bepalen van: 1) luchtgeluidsisolatie tussen ruimten in gebouwen;
2) de contactgeluidisolatie tussen ruimten in gebouwen;
3) de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van gebouwen;
4) de geluidsniveaus in ruimten van gebouwen veroorzaakt door de in werking zijnde technische installaties. Alvorens in te gaan op de diverse bepalingsmethoden volgen hieronder voor het begrip enkele definities: – zendruimte: De ruimte waarin voor het bepalen van de geluidsisolatie de geluidsbron wordt geplaatst.
– ontvangruimte: De ruimte waarin het geluiddrukniveau wordt gemeten dat wordt veroorzaakt door een geluidsbron.
– nagalmtijd: De tijd die verstrijkt tussen het uitschakelen van een luchtgeluidsbron in een ruimte en het moment waarop het geluiddrukniveau is gedaald tot een waarde die 60 dB is lager dan op het moment van uitschakeling.
– verblijfsruimte: Een besloten ruimte voor het verblijven van mensen.
– verblijfsgebied: Besloten ruimte, bestaande uit één of meer met elkaar in verbinding staande, op dezelfde bouw­laag gelegen, afzonderlijke verblijfsruimten en andere ruimten anders dan een toilet- of badruimte, technische ruimte, gemeenschappelijke verkeersruimte of meterruimte.

Voor een goed begrip van de hierna te bespreken meetprocedures verdient het aanbeveling eerst kennis te nemen van de in de NEN 5077 gedefinieerde grootheden, eenheden, symbolen, termen en definities. Apparatuur

Luchtgeluidisolatie metingen met de ruisgenerator
Voor het opwekken van een geluidveld in een ruimte ten behoeve van luchtgeluidisolatie of voor controlemetingen aan de uit­wendige scheidingsconstructie wordt gebruik ge­maakt van een kunstmatige geluidbron. Deze zal meestal be­staan uit een ruisgenerator met versterker en weergever(ers). Indien er gelijk­tijdig gebruik wordt gemaakt van twee weergevers (luid­spre­kers) mogen deze niet gevoed worden met het signaal uit één ruisge­nerator (ongecor­releerd signaal). Verder moeten de bronnen zo worden ingesteld dat de verschillen tussen het door de bronnen uitgestraalde geluidvermogen in elk van de octaaf­banden niet meer is dan 0,5 dB. Verder dient het signaal uit de ruisbron in de tijd gezien voldoende stabiel en gelijk­matig te zijn. Het maximale verschil tussen de geluidvermogen­niveaus van de tertsbanden binnen een octaafband als functie van de octaafband-middenfrequentie mag, afhankelijk van de octaaf­band, maximaal 4 á 6 dB bedragen. Daarnaast worden eisen gesteld aan de richtingsafhankelijk­heid van de geluidsbron. In principe geldt dat de openingshoek voldoende groot moet zijn zodat bijvoorbeeld in geval van metingen aan de uitwendige scheidingsconstructie (gevel) het geluidveld voldoende gelijkmatig op de constructie invalt. Bij metingen aan hellen­de vlakken, zoals daken, worden aanvullende eisen gesteld m.b.t. de richtingsafhankelijkheid. De openingshoek wordt hiervoor beperkt ter voorkoming van ongewenste interfe­renties. In het algemeen wordt het gebruik van bolluidspre­kers afgeraden bij metingen van de gevel. Indien de weergevers zijn samengesteld uit meerdere luidsprekers dienen deze in één behuizing te worden ondergebracht waarbij de aansluiting zodanig moet zijn dat de conussen in fase bewegen. De grootste afmeting van de behuizing mag maximaal 70 cm bedragen.

Voor de geluidsisolatiemetingen kan gebruik worden gemaakt van roze of witte ruis. Bij witte-ruis is er sprake van een gelijke hoeveelheid energie per frequentie-band. Aangezien het aantal frequenties hoger is bij een grotere bandbreedte (verdubbeling per octaafband) geeft dit bij een frequentie-analyse het beeld van 3 dB verhoging per octaafband. Bij roze ruis is er sprake van gelijke energie per octaafband. Dit geeft bij frequentie-analyse het beeld van een vlak spectrum.

Contactgeluid-generator
Voor het meten van contactgeluid wordt gebruik gemaakt van een contactgeluid-generator, in het vakjargon hamerapparaat of hamermachine ge­noemd. Het hamerapparaat is uitgerust met 5 stalen hamers die achter­eenvolgens vanaf een hoogte van 4 cm boven het opper­vlak worden losgelaten in een ritme van 10 slagen per secon­de. Het hamerapparaat wordt gecalibreerd door de valhoogte van de hamers nauwkeurig af te regelen m.b.v. een bijgeleverd afstandshoudertje. De hamerkoppen kunnen naar keuze voorzien worden van stalen of rubber hamerkoppen. Het verdient de voorkeur de metingen te verrichten met de stan­daard stalen hamerkoppen. Indien dit in een bestaande situatie niet moge­lijk is vanwege mogelijke bescha­diging van het opper­vlak van de constructie die moet worden aangestoten kan hier­voor ge­bruik worden ge­maakt van de rubberen hamerkoppen. De resultaten die worden verkregen als het apparaat voorzien is van hamerkoppen van rubber dient gecorrigeerd te worden afhan­ke­lijk van de aard van de afwerking van het oppervlak, meestal de vloerconstructie.

Door het gebruik van het hamerapparaat wordt een vrij constant gestandaardiseerd geluid geproduceerd dat, bij gebruikelijke constructies en isolatie-waarden, goed meetbaar is. Het geluid door het aansto­ten van de vloerconstructie met het hamerappa­raat heeft weinig overeenkomst met de normale huishoudelijke gelui­den. Een overzicht van de geluidniveaus van verschillende huishoudelijke activiteiten, gerelateerd aan het contactge­luid­niveau dat wordt veroorzaakt door het hamerapparaat, is gegeven in figuur 8.3. zoals gegeven in een oud post HTS dictaat van Ad Vreeswijk zoals ook op deze internetsite is geplaatst.