Terug naar overzicht

Horeca perikelen door Ad Vreeswijk

Inleiding
De inwerkingtreding van de het Besluit Horecabedrijven is voor veel gemeenten aanleiding geweest om het horeca-beleid eens onder de loep te nemen. Eigenlijk is de horecabranche jaren achter gebleven bij de “ontwikkelingen” op het milieugebied, zeker voor wat betreft de handhaving van de geluidvoorschriften.

Tot voor kort viel een horeca-inrichting (cafés, discotheken, restaurants, pensions, sociëteiten etc.) óf onder de werking van de Hinderwet (Wet milieubeheer), of onder de werking van een gemeentelijke verordening op basis van de Wet geluidhinder. Cafés, buurthuizen en zalen voor popmuziek kregen meestal een z.g. muziekvergunning op basis van voornoemde verordening.

Door de verschillen in interpretatie van de regels was het geheel nogal onduidelijk. Zo was het bijvoorbeeld mogelijk dat een café in de ene gemeente wel een Hinderwet vergunning moest aanvragen vanwege het geïnstalleerde elektromotorisch vermogen van de aanwezige ventilatoren en bierpompinstallatie (elektromotorisch vermogen > 1,5 kW), terwijl in de andere gemeente volstaan kon worden met het aanvragen van een muziekvergunning. Ook de geluideisen die in deze vergunningen werden gesteld waren nogal eens willekeurig, met name voor wat betreft de gemeentelijke inrichtingen met een sociaal cultureel “stempel”. Officieel is aan dit alles een eind gekomen met de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer en het daaruit voortvloeiende Besluit Horecabedrijven. In de praktijk valt echter te constateren dat er bij gemeentelijke inrichtingen nog steeds de neiging bestaat om “soepeler” met de geluideisen om te gaan dan formeel mogelijk is.

Zo ligt er thans een voorstel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om sportterreinen en recreatieve inrichtingen met geluidinstallaties van de vergunningplicht te ontslaan. De kantine valt dan onder de AMvB-horecabedrijven. Voorgesteld wordt om de licht- en geluidhinder te “regelen” in een gemeentelijke verordening. De milieuhygiënische voordelen van een dergelijke wijziging kan ik vooralsnog niet ontdekken. De hinderbeleving van omwonenden is immers onafhankelijk van het wettelijk kader waaraan getoetst wordt.

Stand van zaken
In het kader van de uniforme regelgeving (Wet milieubeheer) vindt er thans bij gemeenten een inventarisatie plaats van de horeca-inrichtingen, enkele gemeenten hebben reeds orde op zaken gesteld. De inventarisatie wordt veelal gekoppeld aan het in kaart brengen van de geluidisolatie van de horeca-panden, immers alleen op deze wijze kan er een goed inzicht worden verkregen in de mogelijkheden en beperkingen van de diverse horeca-gelegenheden. Er is bij veel gemeenten nog een flinke achterstand in de vergunningverlening van horeca-inrichtingen alsmede in de handhaving van de van toepassing zijnde voorschriften. Mede in dit kader is door de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het milieu voor Limburg een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit en de handhaving van de milieuvergunningen van luidruchtige horeca (vergunningplichtige inrichtingen). Hieronder wordt in het rapport verstaan horeca-inrichtingen waar gewerkt wordt met een geluidniveau van 95 dB(A) of meer. Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat 95% van de onderzochte inrichtingen hinder veroorzaakt voor omwonenden waarbij met name de overlast van komende en gaande bezoekers een belangrijke factor is. In 60% van de vergunningen is een te soepele normstelling gehanteerd terwijl volgens het rapport praktisch geen enkele vergunning ( bij deskundig verweer) strafrechtelijk te handhaven is.

Wettelijk kader
Per 1 januari 1993 is de gehele horeca-branche onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer gebracht. Daarvoor was dit voor maar 50% van de horeca-inrichtingen het geval. Er wordt wettelijk onderscheid gemaakt tussen vergunningplichtige inrichtingen en meldingsplichtige inrichtingen.

Onder laatstgenoemde categorie vallen onder meer de normale cafés, door sommigen ook wel aangeduid als “stille horeca”. De stille horeca moet een melding doen aan de gemeente c.q. milieudienst, waarbij zij, met name indien er sprake is van een regionaal milieubureau, vrijwel altijd een akoestisch rapport moeten overleggen waarin aangetoond wordt dat zij voldoen aan de geluideisen c.q. welke voorzieningen er getroffen worden om aan de geluideisen te kunnen voldoen. De horeca-exploitant kan op “handige wijze” voorkomen dat hij een akoestisch rapport moet overleggen door op het meldingsformulier alle vragen met neen te beantwoorden. De toezichthoudend ambtenaar moet vervolgens maar aantonen dat de horeca-uitbater het formulier niet naar waarheid heeft ingevuld, voorwaar geen eenvoudige opgave. De ervaring leert dat tenminste 85% van de horeca-exploitanten op het meldingsformulier invult dat in het café niet meer dan 70 dB(A) muziek ten gehore wordt gebracht terwijl in de praktijk aanzienlijk hogere geluidniveaus worden geconstateerd.

Het komt er op neer dat aan dit soort gelegenheden (AMvB-inrichtingen) zeer veel tijd besteed moet worden aan de handhaving van de voorschriften alsmede de daaruit voortvloeiende Raad van State procedures. Immers, waarom zou je als horeca-exploitant niet een RvS procedure beginnen als de gemeente bestuursdwang wil toepassen, voor de kosten hoef je het zeker niet te laten.

Confectie of maatwerk
Een meldingsplichtige inrichting wordt geacht te voldoen aan algemene voorschriften (waaronder ook de geluideisen) die zijn verwoord in de bijlagen van het Besluit Horecabedrijven Wet milieubeheer (Stb. 298, 1992). Er wordt voor deze inrichtingen dus geen vergunning verleend (dus ook geen legeskosten, geen inspraak omwonenden etc.). In een vergunning wordt maatwerk geleverd terwijl een meldingsplichtige inrichting aan algemene regels moet voldoen. Qua geluideisen is het verschil in de praktijk nihil.

De luidruchtige inrichtingen, zoals discotheken en zalen voor bruiloften en partijen, zijn vergunningplichtig, voor deze inrichtingen dient dus maatwerk geleverd te worden. Uit het rapport van de Inspectie van de Volksgezondheid (Limburg) blijkt dat dit maatwerk voor wat betreft de geluideisen nogal te wensen overlaat. Ik denk dat dit zeker niet typerend is voor de provincie Limburg.

De praktijk leert dat veel horecaondernemers nog vrijwel niets hebben gedaan aan de geluidisolatie van hun pand, er wordt immers toch niet gecontroleerd. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat veel horeca-exploitanten jarenlang de voorschriften hebben kunnen overtreden zonder dat daartegen iets werd ondernomen door politie of gemeente. Hieraan is nu (formeel) een einde gekomen, al blijft dit nog steeds zeer afhankelijk van de opstelling van de betreffende gemeente. Verwacht mag worden dat ook de milieuinspectie meer druk gaat uitoefenen op gemeenten teneinde te komen tot een adequaat handhavingsbeleid voor horeca-inrichtingen.

Vergunningplicht
Het verschil tussen vergunningplichtige (Wm-vergunning) en meldingsplichtig (AMvB-horeca) inrichtingen is tot op heden niet volledig uitgekristalliseerd. Woordvoerders van het bureau Adviseur Beroepen Milieubeheer hanteren de stelling dat het eigenlijk gaat om de aard van de inrichting, d.w.z. luidruchtige horeca moet een vergunning aanvragen terwijl de minder luidruchtige horeca kan volstaan met een melding.

Het ministerie van VROM blijft van mening dat er gekeken moet worden naar de criteria die de wet c.q. de AMvB-horeca in dezen geeft, bijvoorbeeld of een inrichting een dansvloer heeft die groter is dan 10 m2. Uit recente jurisprudentie blijkt dat de visie van het bureau Adviseur Beroepen Milieubeheer de juiste is. De vraag is vervolgens: wanneer is er sprake van “stille horeca” en wanneer van “luidruchtige” horeca. De horecabranche maakt dankbaar gebruik van deze onduidelijkheden door bijvoorbeeld met lijnen, touwtjes en verf 9,9 m2 af te bakenen.

Na de perikelen met het overgangsrecht van de bestaande horecabedrijven is men thans in veel gemeenten bezig met het opstellen van een actief horeca handhavingsbeleid. Een enkele gemeente heeft reeds op haar kosten alle horeca in de gemeente door een extern akoestisch adviesbureau laten “doormeten”. De resultaten zijn onrustbarend, zeker 85% van de bestaande horeca kan vanwege de beperkte geluidisolatie van hun pand niet voldoen aan de eisen die de Wet milieubeheer c.q. de AMvB-horecabedrijven stelt.

De meeste horeca-ondernemers weten eigenlijk, al voordat de milieu-ambtenaar aan de deur verschijnt, dat de geluidisolatie van hun pand onvoldoende is. Uiteraard wordt het investeren in geluidwerende voorzieningen zo lang mogelijk uitgesteld. De (hoge) kosten voor het treffen van adequate geluidwerende voorzieningen zijn in de branche algemeen bekend, zodat ieder argument wordt aangevoerd om de milieu-ambtenaar te overtuigen dat in hun café alleen achtergrond muziek ten gehore wordt gebracht. Tijdens een controlebezoek op de zaterdagavond blijkt dan vaak dat de horeca-exploitant niet geheel de waarheid heeft gesproken. In de praktijk worden in cafés geluidniveaus gemeten tot LAeq = 100 dB(A).

Geluidvoorschriften
In principe zijn de uitgangspunten waarop de geluideisen voor een vergunningplichtige inrichting of een meldingsplichtige inrichting worden gebaseerd gelijk namelijk:

er mag door het in werking zijn van de inrichting geen hinder voor omwonenden ontstaan. Hierbij wordt uitgegaan van het heersende referentie-niveau van het omgevingsgeluid.

Dit niveau is gedefinieerd als de hoogste waarde van:

Het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de zogenaamde niet-omgevingseigen geluidbronnen.
Het optredende equivalente geluidniveau in dB(A) veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeerslawaai bronnen minus 10 dB(A). Voor de nachtelijke periode worden vooralsnog alleen wegverkeerslawaai bronnen in rekening gebracht met een instensiteit van meer dan 500 mvt per nacht.
Het referentieniveau wordt bepaald (op de gevel van de geluidgevoelige bestemming) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Voor aanpandige woningen geldt dat binnen de geluidgevoelige ruimten van een woning het geluidniveau niet meer mag bedragen dan:

– 35 dB(A) in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur;
– 30 dB(A) in de periode tussen 19.00 uur en 23.00 uur;
– 25 dB(A) in de periode tussen 23.00 uur en 07.00 uur.

Opgemerkt dient te worden dat bij de controle van de geluidniveaus vanwege een horeca-inrichting herkenbaar muziekgeluid (ter plaatse van woningen van derden) “bestraft” wordt met 10 dB. Dit heeft onder meer te maken met, de dynamiek van muziekgeluid aslmede het tonale en intermitterende karakter van de muziek. De geluideisen die aan een horeca-inrichting gesteld worden zijn mijns inziens afdoende om hinder vanwege muziekgeluid te voorkomen. Dit geldt echter niet voor zaken als komen en gaan van bezoekers of geluidpieken die kunnen optreden bij aanpandige woningen door het schuiven van stoelen, het rollen van kegelballen en het (aanmoedigend) kloppen met de biljartkeu op grond. De AMvB-horeca staat in de nachtelijke uren geluid-pieken toe tot 45 dB(A)! De aard en intensiteit van de geluidpieken zijn zodanig dat voornoemde norm mijns inziens ontoereikend is.

Uitgangspunten voor de beoordeling van horeca-inrichtingen
Als uitgangspunt voor de beoordeling of een horeca-exploitant bij de AMvB-melding of de vergunningaanvraag een akoestisch rapport dient te overleggen, is het geluidniveau binnen de inrichting van belang. De exploitatie van de inrichting is hierbij bepalend. Als indicatie wordt veelal het door VROM opgestelde lijstje gebruikt zoals gegeven in tabel 1.

Type bedrijf

Activiteiten

Equivalent geluidniveau

Restaurant Praten en achtergrondmuziek 70 – 75 dB(A)
Cafe Rustig bruin cafe/bar 75 – 80 dB(A)
Cafe/bar met jukebox 80 – 85 dB(A)
Cafe/bar, drukke bar 85 – 90 dB(A)
Cafe/bar, jongerenbar 90 – 95 dB(A)
Cafe/bar met dansen 90 – 100 dB(A)
Disco Voor ouder publiek 85 – 95 dB(A)
Voor jongeren 90 – 105 dB(A)
Met live-muziek 95 – 115 dB(A)

Tabel 1 : Te verwachten equivalente geluidniveaus in horeca-inrichtingen volgens VROM (bron : toelichting op het AMvB meldingsformulier).

De ervaring leert dat horeca-ondernemers, alsmede hun adviseurs, bij het bepalen van de voorzieningen veelal uitgaan van een te laag geluidniveau. Het blijkt dat dit ook sterk afhankelijk is van de akoestisch adviseur van de horeca-ondernemer. Het komt regelmatig voor dat inrichtingen die “geïsoleerd” zijn op een te laag geluidniveau alsnog grote problemen krijgen bij de handhaving. Behoudens de “echte” restaurants dienen mijns inziens de geluidniveaus die in tabel 1 als richtlijn zijn gegeven, met 5 dB(A) verhoogd te worden ten einde een juist beeld te geven van de te verwachten geluidniveaus binnen horeca-panden. De ervaring leert dat voor de exploitatie van een café in de regel een muziekgeluidniveau van ten minste 85 dB(A) noodzakelijk is. Isoleren op een lager geluidniveau is veelal weggegooid geld. Vroeg of laat komt de horeca-uitbater toch weer in de problemen met de exploitatie van zijn inrichting omdat een te laag geluidniveau is aangehouden bij het treffen van de geluidwerende voorzieningen.

Geluidwerende voorzieningen
De standaard voorzieningen die mijns inziens elke horeca-ondernemer aan zijn pand zal moet treffen zijn onder meer:

1) Een geluidsluis ter plaatse van de entree;
2) Enkel glas voorzien van voorzet beglazing c.q. akoestisch dubbel glas;
3) Geluiddemper op ventilatie voorzieningen.

Bij aanpandige woningen is voornoemd pakket natuurlijk uitgebreider. Met name voorzieningen tegen contactgeluid mogen dan niet ontbreken.

Voor de voorzieningen die getroffen moeten worden is naast het geluidniveau binnen de inrichting het geluidspectrum van belang. Veelal wordt bij de berekeningen het “standaard popmuziek spectrum” gebruikt zoals dit door ing. M.J. Tennekens is gepubliceerd in dit blad (Geluid en Omgeving december 1988). Dit spectrum is in een recente publikatie van de Stichting Bouwresearch (SBR) “Horecalawaai de baas” overgenomen als een van de adviezen voor horeca-ondernemers. In deze publikatie is tevens een overzicht opgenomen van een te hanteren spectrum voor house-muziek. Een overzicht van beide spectra is gegeven in tabel 2.

Hertz 63 125 250 500 1k 2k 4k
Ci- Pop -27 -14 -9 -6 -5 -6 -10
Ci-lichte house -22 -8 -8 -7 -8 -8 -8

Tabel 2 : Overzicht van de standaard geluidspectra zoals gepubliceerd in de SBR-publikatie “Horecalawaai de baas”.

Ci = de correctiewaarde voor de standaardspectra.

Het belang van het toepassen van het juiste (representatieve) geluidspectrum wordt aangetoond in de tabellen 3a en 3b. Bij een gelijkblijvend geluidniveau binnen de horeca-inrichting zal ingeval van house-muziek een 4 dB(A) hogere overschrijding van de geluidvoorschriften optreden. Het blijkt dat in den lande diverse housespectra worden gebruikt voor het berekenen van de geluidwerende voorzieningen, wellicht kan het standaard spectrum zoals gegeven in de SBR-publikatie bijdragen tot eenduidigheid in dezen.

Het probleem is dat er voor het opstellen van akoestische rapporten voor horeca-inrichtingen geen richtlijn is hoe de berekeningen en metingen verricht moeten worden en waar het rapport aan dient te voldoen. Dit leidt in de praktijk nogal eens tot discussie. Ook tussen adviseurs en aannemers die elkaar bij tegenvallende resultaten de zwarte piet willen toeschuiven. Overigens willen de resultaten in de praktijk nogal eens tegenvallen, controle-metingen zijn derhalve noodzakelijk.

In het algemeen zijn de akoestische rapporten betreffende horeca-inrichtingen zeer summier met algemene omschrijvingen van voorzieningen. Enkele citaten uit dergelijke rapporten:

  • “de toegangsdeur en de wanden van de geluidsluis dienen een goede geluidisolatie te hebben”. Hoe goed?
  • “in het café dient een ontkoppeld plafond aangebracht te worden”. Op welke luchtspouw, oppervlakte gewicht, op welke wijze ontkoppeld?
  • “de nieuw te metselen wanden dienen op veren te worden geplaatst”. Welke veren, kan dit wel?

Voornoemde summiere omschrijvingen van geluidwerende voorzieningen zijn mijns inziens één van de redenen waarom in de praktijk de “berekende” geluidisolatiewaarden niet gehaald worden. Mede ter bescherming van de horeca-exploitanten acht ik een goede controle van het rapport door het bevoegd gezag noodzakelijk.

Bij de gemeente worden door een horeca ondernemer soms meerdere rapporten ingeleverd die qua maatregelenpakket, bij gelijkblijvende uitgangspunten, nogal eens verschillen (het rapport met het goedkopere voorzieningen pakket wordt meestal pas in tweede instantie ingeleverd). Het vooraf controleren van de voorzieningen is vaak onmogelijk aangezien vrijwel altijd berekeningen ontbreken. De kwaliteit van de akoestische rapporten die betrekking hebben op horeca-inrichtingen dient mijns inziens te worden verbeterd, wellicht is hier ook een taak voor de ONRI (Orde van Nederlandse Raadgevende Ingenieurs) weggelegd.

Uit de gesprekken die ik voer met collega’s, merk ik dat dit probleem bij velen speelt. Duidelijkheid in dezen is noodzakelijk mede ter bescherming van de horeca-ondernemers. Voor een branche waarin op dit moment voor miljoenen wordt geïnvesteerd in geluidwerende maatregelen, wil ik er voor pleiten op korte termijn een duidelijke beoordelingsrichtlijn op te stellen. Zaken die hierin behandeld zouden moeten worden zijn onder meer:

1) flankerende transmissie bij aanpandige woningen;
2) te hanteren “standaard” rekenmodel;
3) meetmethode vooral bij hoge geluidisolatie waarden;
4) referentie-waarden voor materialen en constructie met hoge geluidisolatie waarden;
5) uitgangspunten en “eisen” waaraan een rapport dient te voldoen.

Een dergelijke handleiding zal mijns inziens door zowel akoestische adviesbureaus, overheden en horeca-ondernemers op prijs gesteld worden.

Handhaving van de geluidvoorschriften
Ondanks de berichten in de landelijke pers is er eigenlijk qua geluidvoorschriften niets veranderd, immers een horeca-inrichting viel ófwel onder de werkingssfeer van een gemeentelijke (geluidhinder)verordening ófwel onder de werkingssfeer van de Hinderwet. Om hinder te voorkomen waren de geluidvoorschriften qua niveaus even streng, het probleem was echter dat er niet of nauwelijks werd gehandhaafd. Een aantal grote gemeenten en milieudiensten is thans serieus bezig de handhaving van de voorschriften bij horeca-inrichtingen op een adequaat niveau te brengen.

Er werd (wordt) veelal slechts gehandhaafd indien er regelmatig geklaagd werd over geluidoverlast. In de praktijk werkt dit natuurlijk intimidatie in de hand. Uit het rapport van de Regionale Inspectie Milieuhygiëne Limburg blijkt dat 35% van de mensen die overlast ondervinden van grote horeca-inrichtingen niet meer klagen bij de gemeente of politie, omdat het toch niet helpt. Een dergelijke manier van handhaving is natuurlijk ook in de sfeer van de rechtsgelijkheid niet juist. Hierbij valt ook te denken aan concurrentie vervalsing voor de horeca-exploitant (als je een makkelijke buurman hebt hoefde je immers geen geluidwerende voorzieningen te treffen).

Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat veel horeca-exploitanten jarenlang de voorschriften hebben kunnen overtreden zonder dat daartegen iets werd ondernomen door politie of gemeente. Hieraan is thans “formeel” een einde gekomen. In principe moet alle horeca in Nederland binnen afzienbare tijd aan de geluidvoorschriften gaan voldoen, net zoals andere bedrijven overigens! Dit brengt veelal met zich mee dat er geïnvesteerd moet worden in geluidwerende voorzieningen. Dit geldt overigens ook voor gemeentelijke instellingen zoals buurt- en clubhuizen.

Ook de gemeenten zullen het nodige moeten investeren, er zal een keuze gemaakt moeten worden waar bijvoorbeeld regelmatig levende muziek ten gehore kan worden gebracht. De geluidisolatie van het pand zal hierop afgestemd moeten worden. Een aantal gemeenten is op dit moment bezig een aantal popoefencentra te bouwen die uitstekend geïsoleerd zijn.

Ontheffings mogelijkheden geluideisen
Voor horeca-bedrijven zal in veel gemeenten dit jaar een regeling worden opgesteld waardoor er voor een aantal maal per jaar een ontheffing verleend kan worden voor het ten gehore brengen van levende muziek c.q. het organiseren van evenementen. Dit is de zogenaamde 12-dagen regeling die in de APV opgenomen zal worden. Deze regeling gaat er vanuit dat een horeca-ondernemer ten hoogste 12x per jaar, onder voorwaarden, een ontheffing kan krijgen van de van toepassing zijnde geluidvoorschriften.

Door het college wordt in de APV vastgelegd op welke dagen de geluidvoorschriften voor horeca-inrichtingen niet van toepassing zijn. Meestal betreft het een aantal collectieve, door het college van burgemeester en wethouders vooraf vastgestelde dagen, alsmede een aantal “vrij opneembare” dagen, totaal kan voor maximaal 12 dagen ontheffing kan worden verleend. Voor horeca-inrichtingen die onder de werkingssfeer van de AMvB vallen zal jaarlijks door burgemeester en wethouders de dagen waarop de “ontheffing” van toepassing is worden bekend

gemaakt. Bij vergunningplichtige inrichtingen zal e.e.a. individueel in de vergunning geregeld dienen te worden. Bijvoorbeeld een ontheffing voor zes maal per jaar levende muziek met een beperking van niet meer dan twee keer per maand. Hierdoor wordt het voor de horeca-ondernemer mogelijk om naast een aantal vastgestelde dagen per jaar, zoals bijvoorbeeld met het jazz-festival en carnaval, tevens een aantal maal per jaar een festiviteit (live muziek) te organiseren. Hiervoor wordt dan een ontheffing van de geluidvoorschriften verleend.

Mijns inziens zou met name de ontheffing voor specifieke festiviteiten alleen moeten gelden voor horeca-inrichtingen die zijn gelegen in een horeca concentratie gebied zoals bijvoorbeeld de binnenstad van de gemeente, mede gelet op de acceptatie van de omwonenden.

Gelet op voornoemde ontheffingsregeling worden er voor zowel de horeca-exploitant als voor de moderne podiumkunstenaars (popmuziek) voldoende mogelijkheden geboden. Zalen en cafés die bij wijze van spreken iedere week levende muziek ten gehore willen brengen, zullen inderdaad ingrijpende geluidwerende voorzieningen moeten treffen om aan de geluidvoorschriften te gaan voldoen. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat dit eigenlijk altijd al noodzakelijk was.

Steeds vaker wordt er door de gemeente het twee sporen beleid gehanteerd bij de handhaving van milieudelicten. In de praktijk betekent dit dat een inrichting zowel te maken krijgt met bestuurlijke handhaving als met het strafrecht. Een enkele milieudienst heeft de handhaving van de geluidvoorschriften bij horeca-inrichtingen doorgeschoven naar de politie hetgeen ik geen juiste beslissing vind aangezien mijns inziens de handhaving van geluidvoorschriften van horecainrichtingen, net zoals alle overige inrichtingen, plaats dient te vinden door milieu-ambtenaren waarbij als eerste bestuurlijke handhaving dient te worden toegepast.

Hoewel ik persoonlijk (om principiële redenen) van mening ben dat bij het overtreden van de geluidvoorschriften het strafrecht terughoudend moet worden toegepast, blijkt in de praktijk dat dit instrument zeer doeltreffend is om notoire overtreders snel aan te pakken. Een dergelijke aanpak werkt tevens preventief. Het blijkt dat een procesverbaal toch meer tot de “verbeelding” spreekt van de gemiddelde horeca-ondernemer dan bijvoorbeeld het opleggen van een dwangsom. Ook de procedurele nasleep is vele malen minder. Tegen het opleggen van een dwangsom gaat vrijwel iedere horeca-ondernemer bij de RvS in beroep (voor de kosten hoef je het immers niet te laten) hetgeen zeer veel werk meebrengt voor het ambtelijk apparaat.

Samenvatting / Beschouwing
Samenvattend ben ik van mening dat het onder de Wet milieubeheer brengen van de bedrijfstak horeca voor gemeenten, burgers en horeca-ondernemers een goede ontwikkeling is. Het verschil tussen vergunningplichtige inrichtingen en meldingsplichtige inrichtingen (AMvB’s) zal door VROM verder uitgewerkt of toegelicht moeten worden. Het thans geformuleerde criterium van 10 m2 vast aangelegde dansvloer is te onduidelijk en geeft in de praktijk teveel aanleiding tot interpretatie verschillen.

Ook het verschil tussen “stille” horeca en “luidruchtige” horeca is niet eenduidig te geven. Wellicht kan als maatstaf voor vergunningverlening worden uitgegaan van het maximaal geïnstalleerde muziekvermogen, er kan bijvoorbeeld worden gesteld dat horeca-inrichtingen waarin muziekgeluid ten gehore wordt gebracht van LAeq = 90 dB(A) of meer, vergunningplichtig zijn. Om praktische redenen kan ik mij tevens voorstellen dat voor horeca-inrichtingen wordt afgestapt van het heersende referentie-niveau als uitgangspunt voor de geluidvoorschriften die buiten voor de gevel van woningen van derden gelden. Het betrouwbaar meten van het referentie-niveau (L95) van het omgevingsgeluid is zeer arbeidsintensief. Het hanteren van deze statistische grootheid geeft mijn inziens slechts een schijn van zorgvuldigheid en betrouwbaarheid. De inspanning die noodzakelijk is alvorens de geluidimmissie van een horeca-inrichting kan worden getoets, is mijns inziens niet in overeenstemming met de opzet van het Besluit horecabedrijven Wet milieubeheer (eenduidigheid en eenvoud). Gelet de “straffactor” voor muziekgeluid ben ik, om reden van eenvoud en eenduidigheid, van mening dat een etmaalwaarde van 50 dB(A) voor meldingsplichtige inrichtingen verdedigbaar is. Voornoemde zaken zullen bij de evaluatie van het Besluit horecabedrijven aan de orde dienen te komen.

Er is behoefte aan een duidelijke richtlijn van VROM inzake de uitgangspunten en het beoordelingssysteem voor akoestische rapporten voor horeca-inrichtingen. Een dergelijke richtlijn kan veel discussies tussen gemeenten, adviseurs en horeca-exploitanten voorkomen en zou ook voor de horeca-ondernemers meer zekerheid bieden. Verder zou ik er een voorstander van zijn als de belangenverenigingen van de horeca-branche, zoals bijvoorbeeld Horeca Nederland de SBR-brochure “Horeca-lawaai de Baas” onder hun leden zou verspreiden zodat ook de horeca-ondernemers beter geïnformeerd zijn, zodat wordt voorkomen dat er door deze ondernemers nodeloos geld wordt uitgegeven aan voorzieningen waarmee zij denken de geluidisolatie te verbeteren maar waarvan in de praktijk blijkt dat het effect nihil is.

Ad Vreeswijk