Terug naar overzicht


Hieronder treft informatie aan m.b.t. geluid opgesteld door ons bureau en/of derden.

(Gebruik van deze informatie is geheel voor eigen risico, er kunnen op generlei wijze rechten of claims aan ontleend worden).


Watertoets en procedure ex artikel 19 wro


Procedure
Bij ingrijpende plannen (vanuit het water gezien) wordt de initiatiefnemer geacht het waterschap vanaf het eerste begin van het planproces te betrekken. Voor minder ingrijpende projecten, zoals artikel 19 WRO procedures, voldoet vaak alleen een zogenoemd wateradvies van het waterschap (dus geen vooroverleg, afsprakendocument e.d.).

Het waterschap kan alleen een gedegen wateradvies geven, indien zij voldoende informatie hebben. Daarom verzoeken wij u om onderstaande informatie toe te sturen:

1. Ruimtelijke onderbouwing van het plan, inclusief:

  1. concept paragraaf over water(aspecten) i.e. de waterparagraaf (zie ook toelichting hieronder);
  2. beschrijving van de geldende planologische situatie, kadaster e.d.;
  3. eventueel gemeentelijke toets aan rijks-, regionaal en provinciaal beleid;

2. Kaartmateriaal:

  1. overzicht huidige situatie plangebied c.q. vigerend bestemmingsplan;
  2. overzicht nieuwe situatie/ontwerp, bestemmingen e.d.;
  3. ligging oppervlaktewater in toekomstig gebied (indien van toepassing);
  4. gegevens over afmetingen tussen nieuwe bestemming en oppervlaktewater;
  5. overzicht aan te passen delen van een watergang (indien van toepassing);
  6. indien verhard oppervlak toeneemt, een kaart met aanduiding van de locatie voor compensatie door het graven van extra open water
  7. kaart van eventueel te dempen watergang(en) en nieuw te graven water (indien van toepassing);
  8. bouwtekeningen voor zover nodig, bijvoorbeeld: aansluitingen riolering, methode van afkoppeling van hemelwater, diepte kelder/garagekelder e.d..

Toelichting op de waterparagraaf
Hieronder volgt een korte opsomming van aandachtspunten waarop in ieder geval informatie moet worden gegeven in de ruimtelijke onderbouwing, middels de waterparagraaf:

  • Bestaand en toekomstig oppervlak aan verharding (m2) en type verharding.
  • Wijze van ontwatering en afwatering van het perceel in de bestaand en nieuwe situatie (onder ander: de keuze van opvang en afvoer van hemelwater en waterberging).
  • Keuze en situatie riolering (soort stelsel en/of aansluiting).
  • Materiaalgebruik daken, goten en regenpijpen (bij het afvoeren van afgekoppeld hemelwater direct op oppervlaktewater zijn uitlogende materialen zoals koper, zink, lood niet toegestaan).
  • Wel of geen kelder, of kruipruimteloos bouwen.
  • Grenst het plan aan een waterkering?
  • Indien ja: de ruimtelijke inrichting langs de waterkering aangeven.
  • Grenst het plan aan of bevat het plan oppervlaktewater?
  • Indien ja: beschrijving van de ligging ten opzichte van de watergang, de ruimtelijke inrichting van en langs de watergangen (als er sprake is van demping, aangeven waar compensatie plaats vindt).
  • Wijze van bouwrijp maken (ophoging?).
  • Gebouw op fundatie: op stalen palen of houten palen?
  • Bij bouw en/of daarna: grondwateronttrekking noodzakelijk? (diepwell, retourbemaling, bronbemaling en wijzen van lozen: hiervoor is een integrale WVO/Keur vergunning noodzakelijk. Tevens dient contact opgenomen te worden met de grondwaterbeheerder, Provincie Utrecht: dhr. Nijsten, zie bladzijde 3)
  • Sprake van bouwen boven, op of over water? Indien ja: op palen, aanleg van steiger/beschoeiing, vlonder e.d.?

Verdere procedure
Zoals gezegd heeft het waterschap de bovenstaande informatie nodig om tot goed een wateradvies te komen.

Voor de provinciale planbeoordelaar is het van belang inzicht te krijgen in de betrokkenheid van de waterbeheerder(s). U kunt in uw definitieve ruimtelijke onderbouwing verwijzen naar ons wateradvies. Indien van het wateradvies wordt afgeweken, dient u dit te motiveren in de definitieve waterparagraaf en contact op te nemen met het waterschap.

In bepaalde (waterhuishoudkundig ingrijpende) gevallen kan het voorkomen dat het waterschap nadere informatie verlangt in de vorm van een deskundigenrapport of contact met u opneemt.

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Postbus 550
3990 GJ HOUTEN

Grondwateradvies Provincie Utrecht m.b.t. ondergronds bouwen
Onderstaand wateradvies geldt in algemeenheid voor alle initiatieven waarbij in stedelijk gebied ondergronds gebouwd wordt.

Met betrekking tot de grondwatersituatie stelt de provincie Utrecht de volgende voorwaarden bij aanleg van ondergrondse kelders in stedelijk gebied:

  • Indien voor de aanleg van de kelder een tijdelijke verlaging van de grondwaterstand nodig is, zijn deze werkzaamheden meldingplichtig of vergunningplichtig. Hierover dient vooraf contact opgenomen te worden met de sector Vergunning en Handhaving – Branchegericht van de provincie Utrecht (030 258 3877). Bij bemaling dient overigens altijd rekening gehouden te worden met eventuele risico’s op zettingen en funderingsschade. Dit is met name relevant in gebieden waar veen- en kleilagen voorkomen.
  • De kelder mag niet zodanig aangelegd worden dat er een permanente onderbemaling nodig is. Kelders die (deels) aangelegd worden onder de grondwaterspiegel, dienen waterdicht te worden uitgevoerd.

Aandachtspunt:

Ondergrondse constructies moeten bij voorkeur altijd waterdicht aangelegd worden om (toekomstige) wateroverlast te voorkomen. Dus ook als een constructie nu boven de heersende grondwaterstand wordt aangelegd, is het wenselijk dat de constructie toch waterdicht is om eventuele toekomstige stijgingen in de grondwaterstand op te kunnen vangen. Deze toekomstige stijgingen kunnen van klimatologische aard zijn, maar ook door menselijk handelen worden veroorzaakt (bv opzetten waterpeilen, verhogen grondwaterstand door afkoppelen, beindigen grondwateronttrekking, vervanging lekke riolering).

De eigenaar van constructies is ten alle tijden verantwoordelijk voor de staat van onderhoud van de constructies, ook daar waar het waterdichtheid met betrekking tot grondwater betreft.

  • Indien bij de aanleg van de kelder slechtdoorlatende lagen (bijvoorbeeld klei of veenlagen) worden doorgraven, dienen deze lagen weer afgedicht te worden, zodat er geen lekstromen kunnen optreden tussen verschillende watervoerende lagen of van verontreinigd water naar het watervoerend pakket.
  • Eventueel aanwezige verontreinigingen mogen niet verder worden verplaatst/verspreid als gevolg van de aanlegactiviteiten (b.v. tijdelijke bemaling) of de eindsituatie (bijvoorbeeld door vergraving van scheidende lagen).
  • Bij voorkeur dienen bij nieuwe initiatieven de mogelijkheden voor een gescheiden afvoer van hemelwater te worden onderzocht. Indien mogelijk geven wij er de voorkeur aan dat hemelwater wordt afgekoppeld en zoveel mogelijk lokaal wordt ge nfiltreerd. Hierbij dient natuurlijk onderzocht te worden of dit gezien de lokale hydro(geo-)logische situatie haalbaar is en of de kwaliteit het toelaat. Het infiltreren van regenwater mag verder niet tot wateroverlast leiden. Verder worden bij infiltreren van regenwater in de bodem eisen gesteld ten aanzien van de kwaliteit van het te infiltreren water en de bodemopbouw onder het infiltratiebed.
  • Bij de keuze van de bouwmaterialen dient rekening gehouden met eventueel uitlogen van stoffen naar het (grond)water. Materialen waarbij dit op kan treden dienen niet gebruikt te worden.